ECLI:NL:RBMNE:2021:5772

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juni 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
16.012752.19
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van het onttrekken van minderjarigen aan het opzicht van de jeugdbescherming

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 22 juni 2021 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die samen met haar (ex-)partner beschuldigd werd van het onttrekken van haar kinderen aan het opzicht van de jeugdbescherming. De verdachte, geboren in Afghanistan, heeft in de periode van 17 februari 2017 tot en met 4 juli 2018 haar kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], zonder toestemming van de jeugdbescherming meegenomen naar Canada. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kinderen onder toezicht stonden van de jeugdbescherming, wat betekent dat de ouders verplicht waren om de instelling op de hoogte te houden van de verblijfplaats van de kinderen.

Tijdens de rechtszitting op 8 juni 2021 heeft de rechtbank de standpunten van de verdachte, haar advocaat mr. M. Taheri, en de officier van justitie mr. A.M.C.V. Fellinger gehoord. De officier van justitie stelde dat de verdachte opzettelijk de kinderen had onttrokken, terwijl de verdediging aanvoerde dat de verdachte niet op de hoogte was van de onwettigheid van haar handelen en dat zij onder druk stond van haar familie. De rechtbank oordeelde dat de verdachte en haar (ex-)partner opzettelijk hebben gehandeld om de jeugdbescherming te ontlopen, wat blijkt uit hun verklaringen en de omstandigheden rondom hun vertrek naar Canada.

De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het medeplegen van het onttrekken van minderjarigen aan het opzicht van de jeugdbescherming en heeft haar een taakstraf van 50 uren opgelegd, evenals een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar lege strafblad en het tijdsverloop in de zaak, maar heeft ook de ernst van het feit en de gevolgen voor de kinderen in overweging genomen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16.012752.19 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juni 2021
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1984] te [geboorteplaats] (Afghanistan),
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zitting van 8 juni 2021. Verdachte was bij deze zitting aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak.
De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van verdachte, haar advocaat mr. M. Taheri en de officier van justitie mr. A.M.C.V. Fellinger.

2.TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat zij betrokken is geweest bij een strafbaar feit. Deze verdenking staat beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis.
Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat zij in de periode van 17 februari 2017 tot en met 6 november 2018 in Utrecht samen met een ander haar kinderen ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) heeft onttrokken aan het opzicht dat werd uitgevoerd door [naam instelling] , door hen mee te nemen naar het buitenland.

3.VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4.WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
4.2
Het standpunt van de advocaat
De advocaat van verdachte vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het gezag over de kinderen lag bij verdachte en volgens de advocaat mocht verdachte met de kinderen naar het buitenland verhuizen. Zij wist in ieder geval niet dat dat niet mocht en had dan ook geen opzet. Volgens de advocaat moet in ieder geval de ten laste gelegde periode worden ingekort, aangezien verdachte pas op 19 februari 2017 naar Canada is vertrokken met haar kinderen en zij op 4 juli 2018 al terug in Nederland waren.
4.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Bij beschikking van 20 december 2016 heeft de Rechtbank Rotterdam verdachtes kinderen, [minderjarige 1] (geboren op [2008] ) en [minderjarige 2] (geboren op [2012] ), voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling [naam instelling] . [2]
Op 21 februari 2017 heeft [A] , jeugdbeschermer bij [naam instelling] , aangifte gedaan bij de politie. Zij verklaarde dat [verdachte] met haar twee kinderen naar een onbekende bestemming was vertrokken. [3]
Op 21 februari 2017 om 12.55 uur heeft de politie gebeld met [medeverdachte] , medeverdachte en vader van de kinderen. Volgens verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zei [medeverdachte] in dat gesprek: “Ik heb nu de macht, het zijn mijn kinderen. Pech voor jeugdzorg en pech voor jullie. Wij willen niet dat de kinderen bij vreemden geplaatst worden”. [4]
Op 21 februari 2017 om 15.32 uur heeft verbalisant [verbalisant 2] met verdachte gebeld. In dat gesprek zei verdachte dat zij weg was gegaan omdat zij het niet eens was met jeugdzorg. Zij wilde beslist niet dat haar kinderen uit huis geplaatst zouden worden. Zij vertelde dat zij het nummer van de politie had gekregen van [medeverdachte] . [5]
Op 19 juli 2018 is verdachte verhoord door de politie. Zij verklaarde toen dat zij vóór haar vertrek met de kinderen aan de gezinsvoogd een mail heeft gestuurd dat ze wegging. Zij voelde zich in de steek gelaten door jeugdzorg. Ze is op 18 februari 2017 met de kinderen naar Toronto gevlogen. Volgens verdachte had [medeverdachte] de tickets geboekt en betaald. Op 11 of 12 april 2017 kwam ook [medeverdachte] aan in Canada. [6]
Op 6 november 2018 is [medeverdachte] verhoord door de politie. Hij verklaarde toen dat hij het met verdachte erover had gehad om naar Canada te gaan. Ze wilden in Canada opnieuw beginnen. [7]
De communicatie van het telefoonnummer van [medeverdachte] is afgeluisterd door de politie. In een telefoongesprek op 2 maart 2017 zei hij dat jeugdzorg hen niet met rust laat en dat zij daarom weg moeten. Jeugdzorg wilde de kinderen bij een Nederlands gezin onderbrengen. Toen dat gebeurde zei [medeverdachte] tegen hen: “jullie moeten nu vertrekken. Dit is beter dan dat de kinderen bij een Nederlands gezin komen”. [8]
De interpretatie van de bewijsstukken
Wanneer kinderen onder toezicht worden gesteld van de jeugdbescherming, wordt het gezag van de gezaghebbende ouders ingeperkt. Om uitvoering te kunnen geven aan dat toezicht, moet de jeugdbescherming op zijn minst op de hoogte worden gehouden van de verblijfplaats van de kinderen en moeten de kinderen en de gezaghebbende ouders bereikbaar zijn voor de jeugdbescherming. Aan die minimumvereisten hebben verdachte - als de met het gezag belaste ouder van beide kinderen - en medeverdachte [medeverdachte] - als medepleger van het tenlastegelegde feit - zich niet gehouden. Het e-mailbericht dat verdachte blijkens haar verklaring bij de politie aan de jeugdbescherming heeft gestuurd en waarin zij schrijft dat zij in Duitsland is, voldoet daar niet aan. Verdachte is namelijk met de kinderen naar Canada vertrokken, waar medeverdachte [medeverdachte] zich enige tijd later bij heeft gevoegd. Zij hebben geruime tijd samen gewoond in Canada en hebben nooit meer contact opgenomen met de jeugdbescherming in Nederland. Verdachte heeft op deze manier actief eraan bijgedragen dat de door de rechtbank aangewezen instantie om de ondertoezichtstelling uit te voeren geen contact kon krijgen met haar, als gezaghebbende ouder, en haar kinderen. Jeugdbescherming kan aan de ondertoezichtstelling enkel dan invulling en uitvoering geven als de ouders deze instelling ook daadwerkelijk in staat stellen toezicht uit te oefenen en hulp en steun te verlenen. Door met de kinderen naar Canada te vertrekken en daar lange tijd te blijven hebben verdachte en medeverdachte toegang van jeugdzorg tot de kinderen in de weg gestaan en niet aan de contact- en informatieplicht voldaan. Daaraan doet niet af dat er (nog) geen sprake was van een machtiging tot uithuisplaatsing. De hiervóór vermelde eisen gelden al bij een ondertoezichtstelling. Verdachte kon en behoorde dat te weten. Dat zij bewust stiekem handelde blijkt uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen.
Uit de bewijsstukken leidt de rechtbank bovendien af dat de reden voor het vertrek de verwachte uithuisplaatsing was en dat zij naar Canada zijn vertrokken met het doel om niet gevonden te worden. Beide verdachten verklaren immers dat zij niet wilden dat hun kinderen bij anderen geplaatst zouden worden. De rechtbank vindt daarom dat er sprake is van medeplegen. Het kennelijke plan van beide verdachten was vanaf het begin af aan om aan de invloed van de jeugdbescherming te ontsnappen. Om dat doel te bereiken heeft medeverdachte [medeverdachte] de vliegtickets voor verdachte en hun twee kinderen geboekt en betaald, waarmee hij het vertrek naar Canada mogelijk heeft gemaakt. Verdachte is degene die in eerste instantie ook daadwerkelijk met de kinderen is vertrokken.
De rechtbank verklaart dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan het onttrekken van haar kinderen aan het opzicht van de jeugdbescherming.
Over de periode merkt de rechtbank op dat zowel het vertrek als terugkomst van de kinderen binnen de tenlastegelegde periode valt. Uit het dossier blijkt dat verdachte haar kinderen op 17 februari 2017 bij haar zus heeft opgehaald en vlak daarna met de kinderen naar Canada is vertrokken. Aangezien de kinderen op 4 juli 2018 weer terug zijn gekomen in Nederland, zal de rechtbank het einde van de periode tot die datum beperken.

5.BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
in de periode van 17 februari 2017 tot en met 4 juli 2018 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk de minderjarige [minderjarige 1] (geboren op [2008] ) en [minderjarige 2] (geboren op [2012] ), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dat desbevoegd over die minderjarigen uitoefende, te weten de [naam instelling] , immers heeft verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met een ander die minderjarigen zonder toestemming van de [naam instelling] meegenomen naar en ondergebracht in Canada.
Verdachte wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is niet nadelig voor verdachte.

6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Niet is gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond voor de door verdachte gepleegde feiten bestond. De door verdachte gepleegde feiten zijn dus strafbaar.
De wet noemt het door verdachte gepleegde feit:
medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, meermalen gepleegd.

7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

7.1
Het standpunt van de advocaat
Volgens de advocaat is sprake van psychische overmacht. Verdachte leed erg onder de druk van haar familie om de relatie met haar (ex-)partner te beëindigen. Ze was bang dat haar kinderen afgepakt zouden worden door jeugdzorg en is daarom naar het buitenland gevlucht. Door haar culturele achtergrond had verdachte volgens de advocaat ook geen andere optie.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie geeft aan dat nergens uit blijkt dat sprake was van psychische overmacht. Het beroep daarop moet volgens de officier van justitie dan ook verworpen worden.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt het volgende over het beroep op psychische overmacht.
Op 20 december 2016 heeft de rechtbank in een beschikking besloten dat de kinderen van verdachte onder toezicht van de jeugdbescherming kwamen te staan. Daarmee wordt het gezag van een ouder, in dit geval verdachte, beperkt. Zoals hiervoor onder de waardering van het bewijs al is besproken, was verdachte duidelijk dat zij daarom met de gezinsvoogd moest overleggen over beslissingen over de kinderen. Verdachte heeft daar niet naar geluisterd en is met de kinderen naar het buitenland vertrokken. Zo’n situatie levert geen psychische overmacht op, nu er geen sprake was van een van buiten komende druk waaraan verdachte geen weerstand hoefde te bieden. Dat verdachte druk voelde vanuit haar familie en jeugdzorg en bang was om haar kinderen te verliezen maakt dat niet anders.
Nu niet is gebleken dat verdachte een beroep kon doen op een schulduitsluitingsgrond, is zij strafbaar.

8.OPLEGGING VAN STRAF

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vindt dat verdachte een ernstig feit heeft gepleegd. Haar kinderen waren niet voor niets onder toezicht van de jeugdbescherming gesteld en het is in dat geval niet aan verdachte en haar (ex-)partner om een zeer ingrijpende beslissing over de kinderen te nemen. De officier van justitie houdt ook rekening met het lege strafblad van verdachte en met het tijdsverloop.
De officier van justitie vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren.
8.2
Het standpunt van de advocaat
De advocaat vindt dat aan verdachte geen straf moet worden opgelegd. Verdachte heeft al een straf gehad. De relatie met haar familie is namelijk verbroken door wat er gebeurd is. Een veroordeling zal ook van invloed zijn op haar baan, doordat zij dan geen VOG meer zal krijgen. Bovendien gaat het met (de zorg voor) de kinderen heel goed.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder verdachte dat feit heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank legt aan verdachte de straf op die door de officier van justitie is geëist. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf heeft bepaald.
8.3.1
De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd
Verdachte heeft zich samen met haar (ex-)partner schuldig gemaakt aan het onttrekken van haar kinderen aan het opzicht van de jeugdbescherming. De kinderen van verdachte zijn eind 2016 onder toezicht van de jeugdbescherming gesteld, omdat er zorgen waren over de ontwikkeling van de kinderen doordat verdachte door haar (ex-)partner in aanwezigheid van de kinderen werd mishandeld. Toen verdachte en haar (ex-)partner in de gaten kregen dat de kinderen mogelijk uit huis werden geplaatst, is verdachte met de kinderen naar Canada vertrokken. Haar (ex-)partner is daar enige tijd later achteraan gegaan. Het adres waar verdachte met haar (ex-)partner en kinderen verbleef was voor de jeugdbescherming onbekend, waardoor zij geen invloed op de ontwikkeling van de kinderen kon uitoefenen.
Door zo te handelen heeft verdachte een rechterlijke uitspraak naast zich neergelegd. De rechter had bepaald dat de kinderen onder toezicht van jeugdbescherming kwamen te staan om de ontwikkeling van de kinderen te beschermen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij tegen een beslissing van de rechtbank is ingegaan.
In vergelijkbare zaken worden vaak gevangenisstraffen opgelegd. Dat neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt bij het bepalen van de straf.
8.3.2
De persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad (de ‘justitiële documentatie’) van verdachte blijkt dat zij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Dat heeft geen invloed op het bepalen van de straf.
8.3.3
Overschrijding redelijke termijn
Verdachte is op 19 juli 2018 voor de eerste keer als verdachte gehoord. Vanaf dat moment mocht zij er rekening mee houden dat zij strafrechtelijk zou worden vervolgd. De rechtbank merkt die datum aan als begindatum van de redelijke termijn. De eerste zitting heeft ruim tweeënhalf jaar later plaatsgevonden, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
8.3.4
Conclusie
Alhoewel de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend zou vinden, vindt zij dat gelet op het tijdsverloop in dit geval niet. De rechtbank zal daarom aansluiten bij de straf die de officier van justitie heeft geëist en legt aan verdachte een taakstraf van 50 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren op.

9.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 47, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10.BESLISSING

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
  • verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
  • verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
  • verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
  • veroordeelt verdachte tot een
  • bepaalt dat deze straf
  • stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;
  • als voorwaarde geldt dat verdachte:
o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
  • veroordeelt verdachte tot een
  • beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 25 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door E.J. van Rijssen, voorzitter, mrs. J.W.B. Snijders Blok en A. Maas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juni 2021.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
zij in of omstreeks de periode van 17 februari 2017 tot en met 6 november 2018 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk de/een minderjarige(n), te weten [minderjarige 1] (geboren op [2008] ) en/of [minderjarige 2] (geboren op [2012] ), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige(n) uitoefenden te weten de [naam instelling] , immers heeft verdachte toen en daar tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, die minderjarige(n) zonder toestemming van de [naam instelling] meegenomen naar en/of ondergebracht in het buitenland (Duitsland en/of Canada);
(art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL09002017086210 van 6 mei 2017, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 91. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een geschrift, te weten: een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 20 december 2016.
3.Proces-verbaal van aangifte, p. 6.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 16.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 20.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 76.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 90.
8.Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, p. 33.