ECLI:NL:RBMNE:2021:5761

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 november 2021
Publicatiedatum
25 november 2021
Zaaknummer
528963 / HA RK 21-260
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 40 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verschoning rechter ongegrond verklaard wegens ontbreken schijn van partijdigheid

In deze zaak heeft de kantonrechter een verzoek tot verschoning ingediend naar aanleiding van een incident tijdens een zitting in een civiele hoofdzaak. Verzoekster stelde dat zij door haar snelle reactie op een opmerking van de gemachtigde van de tegenpartij de schijn van vooringenomenheid had gewekt, waardoor het vertrouwen in haar onpartijdigheid bij de tegenpartij was geschaad.

De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 en Pro 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierbij is overwogen dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn die het tegendeel aannemelijk maken. De kamer heeft geoordeeld dat de vraag van verzoekster begrijpelijk en gerechtvaardigd was en dat de reactie van de gemachtigde het vertrouwen in de onpartijdigheid van de rechter heeft hersteld.

Daarom is geconcludeerd dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees bestaat dat de rechter in deze zaak aan onpartijdigheid zou ontbreken. Het verzoek tot verschoning is dan ook ongegrond verklaard en de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de kantonrechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
VERSCHONINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 528963 / HA RK 21-260
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 23 november 2021
op het verzoek in de zin van artikel 40 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
Mr. M. Ramsaroep,
kantonrechter,
(verder te noemen: verzoekster).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verschoningsverzoek van verzoekster van 14 oktober 2021 met als bijlage de zittingsaantekeningen van de zitting in de zaak 9195087 UC EXPL 21-3413 van 13 oktober 2021
- de schriftelijke reactie op het verschoningsverzoek van 5 november 2021 van mr. J. El Hannouche, de gemachtigde van [A] h.o.d.n. [naam] .
1.2.
Het verschoningsverzoek is op 9 november 2021 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken (verder: de verschoningskamer).
Bij de mondelinge behandeling is mr. Ramsaroep verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
Het verzoek tot verschoning is ingediend in de zaak met het zaaknummer 9195087 UC EXPL 21-3413, met [B.V.] B.V. als eiser en [A] h.o.d.n. [naam] als gedaagde (hierna: de hoofdzaak).
2.2.
Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan haar verschoningsverzoek. Zij heeft op 13 oktober 2021 tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak voor de gemachtigde van gedaagde (hierna: de gemachtigde) ingevuld wat hij wilde zeggen, waardoor bij gedaagde de schijn van vooringenomenheid en daarmee van partijdigheid is ontstaan. Toen tijdens de zitting door de gemachtigde werd gezegd dat hij aan zijn cliënt had gevraagd of de handtekeningen van hem zijn, heeft verzoekster te snel aan de gemachtigde gevraagd of hij de overeenkomst tussen eiseres en gedaagde wilde betwisten Zij was daarmee voorbarig en heeft zich schuldig gemaakt aan ‘niet invullen voor een ander”.
2.3.
De gemachtigde heeft via een schriftelijke reactie van 5 november 2021 de verschoningskamer verzocht het verschoningsverzoek toe te wijzen. Doordat verzoekster de zin van de gemachtigde zelf heeft ingevuld en hem niet heeft laten uitpraten, is er bij gedaagde geen vertrouwen meer in de onpartijdigheid van de rechter.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 40 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv Pro. Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop staat dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling vermoed wordt onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn als bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. In dat geval dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten namelijk vertrouwen kunnen stellen in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
3.4
Uit het verzoek van verzoekster blijkt onvoldoende dat de gerechtvaardigde vrees
zou kunnen bestaan dat het de rechter bij de behandeling van de zaak aan onpartijdigheid ontbreekt. Verzoekster heeft tijdens de zitting op 13 oktober 2021 mogelijk wat snel gereageerd op dat wat de gemachtigde heeft gezegd, maar de verschoningskamer vindt de vraag van verzoekster begrijpelijk en gerechtvaardigd. omdat een eventuele betwisting van de handtekening van gedaagde een geheel ander licht op de zaak kunnen werpen.
Uit de zittingsaantekeningen blijkt dat verzoekster vervolgens heeft aangegeven voorbarig te zijn geweest. De gemachtigde heeft toen aangegeven dat hij de reactie van verzoekster waardeert en dat deze reactie het vertrouwen herstelt. Deze reactie van de gemachtigde had voor verzoekster aanleiding kunnen zijn de behandeling van de hoofdzaak te proberen te hervatten, maar zij heeft dit niet gedaan.
De verschoningskamer komt tot de slotsom dat het handelen van verzoekster naar objectieve maatstaven niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid zoals bedoeld in 3.3 hierboven. Verzoekster voelt zich ten onrechte niet vrij de zaak te behandelen en de verschoningskamer zal haar verzoek tot verschoning daarom ongegrond verklaren.
4. De beslissing
De verschoningskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot verschoning ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing te sturen aan verzoekster, betrokken partijen in de hoofdzaak, en aan de voorzitter van de afdeling Civiel, sector Kanton en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze
zich bevond op het moment dat verschoningsverzoek werd ingediend.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.E. Heinemann, voorzitter, en mr. A.M. Crouwel en mr. J.G. Nicholson als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. L.M.M. Weyers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2021.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.