Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
de uitspraak te ondertekenen
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een in 1931 gebouwde bovenwoning te Utrecht. Verweerder stelde de waarde voor het belastingjaar 2020 vast op €320.000,-, welke na bezwaar werd verlaagd naar €296.000,-. Eiser betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €155.840,- voor.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van verweerder, die een taxatiematrix gebruikte met referentiewoningen van hetzelfde type en wijk. Verweerder maakte aannemelijk dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede doordat de gebruikte gebruiksoppervlakte volgens de Nederlandse norm NEN 2580 werd bepaald. Eiser kon met zijn overgelegde stukken de gehanteerde oppervlakte niet overtuigend betwisten.
Verder verwierp de rechtbank de stellingen van eiser over een onjuiste inschatting van onderhoudstoestand, ligging en voorzieningen. De rechtbank vond dat verweerder voldoende rekening had gehouden met deze factoren, en dat de geschatte onderhoudskosten niet leiden tot een lagere marktwaarde.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Rijlaarsdam op 18 oktober 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €296.000,- wordt ongegrond verklaard.