18. Eiser voert aan dat uit document 35 bij deelbesluit B blijkt dat er jaarlijks bijeenkomsten worden gehouden met vergunninghouders. Gegeven de aard van deze bijeenkomst zouden er verslagen of afsprakenlijsten moeten zijn.
19. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat deze gesprekken geen formeel karakter hebben en dat er geen verslag van wordt vastgelegd. Waar nodig vindt een terugkoppeling plaats naar de betrokken behandelend ambtenaar of volgt een formele aanvraag van de operator.
20. De rechtbank wil verweerder wel volgen in zijn stelling dat deze jaarlijkse bijeenkomsten een informeel karakter hebben en dat er daarom geen formele stukken zijn zoals agenda’s, notulen en besluitenlijsten. Echter, eiser heeft ook verzocht om andersoortige documenten, zoals bijvoorbeeld e-mailberichten. Omdat verweerder ook heeft gesteld dat zo nodig wel een terugkoppeling plaatsvond naar de behandelend ambtenaar, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat er geen enkel document is dat betrekking heeft op deze jaarlijkse bijeenkomsten, zoals e-mailberichten of (korte) notities. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er wel een uitvraag heeft plaatsgevonden die ook op deze documenten zag en dat daar niets is uitgekomen, maar hij heeft de rechtbank er niet van weten te overtuigen dat een voldoende specifieke uitvraag bij de betrokken ambtenaren heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank de stelling van verweerder dat hierover geen documenten zijn aangetroffen, niet geloofwaardig voorkomt. Verweerder moet ook op dit onderdeel een nieuwe zoekslag doen.
Verslag van ambtelijk overleg tussen de gemeente Woerden en de provincies
21. Eiser voert aan dat het ambtelijk verslag van overleg van 21 februari 2020 tussen de gemeente Woerden en de provincies Utrecht, Gelderland, Noord-Brabant en Zuid-Holland ten onrechte met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob geheim is gehouden.
22. De rechtbank overweegt hierover dat dit overleg heeft plaatsgevonden nadat eiser zijn Wob-verzoek heeft gedaan. Aangezien een Wob-verzoek geen betrekking kan hebben op na het verzoek vervaardigde documenten, valt dit document buiten de reikwijdte van het Wob-verzoek. De rechtbank laat daarom deze beroepsgrond verder buiten beschouwing.
Documenten met betrekking tot een overleg op 17 juli 2019
23. Eiser voert aan dat uit document 3 bij het bestreden besluit blijkt dat op 17 juli 2019 een overleg heeft plaatsgevonden tussen Vermilion, het ministerie van Economische Zaken en de gemeenten Woerden en Bodegraven-Reeuwijk. Het is ongeloofwaardig dat hier geen enkel document over is.
24. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat geen inhoudelijke informatie is aangetroffen. Uit navraag bij de betrokken ambtenaar is gebleken dat wel is gesproken over een vergunning, maar dat betrof niet de vergunning waar eisers verzoek op ziet. Dit overleg ging over de winningsvergunning voor het gebied Papekop. Ter zitting heeft verweerder een e-mailbericht overgelegd van de ambtenaar van het ministerie die bij dit (en een vervolg)overleg aanwezig is geweest, waarin deze bevestigt dat de opsporingsvergunning Utrecht nooit ter sprake is gekomen.
25. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft opgehelderd dat het overleg op 17 juli 2019 geen betrekking had op de opsporingsvergunning Utrecht. Uit document 3 blijkt dat tijdens het overleg is gesproken over een verlenging van een koolwaterstoffenvergunning van Vermilion voor de provincie Utrecht. Omdat de winningsvergunning voor het gebied Papekop nog geldig was tot 2031 ligt het niet direct voor de hand dat de verlenging van die vergunning is besproken. Dit is een aanwijzing dat tijdens het overleg wel (of ook) de opsporingsvergunning Utrecht, die immers wel binnen afzienbare tijd afliep, ter sprake is gekomen. In dat geval is het naar het oordeel van de rechtbank niet geloofwaardig dat er verder geen documenten zijn met betrekking tot dit overleg. Ook op dit onderdeel moet verweerder een nieuwe zoekslag doen.
Toepassing van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob
26. Eiser voert aan dat verweerder te ruim toepassing heeft gegeven aan artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob. Het enkel stellen dat sprake is van een bedrijfs- of fabricagegegeven is onvoldoende. Bovendien kan deze weigeringsgrond alleen worden ingeroepen voor actuele informatie en daarvan is geen sprake als deze informatie al in 2007 is verstrekt door Northern Petroleum.
27. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de betrokken informatie, het onderzoek naar de aanwezigheid en het winnen van delfstoffen, zeer kostbaar en tijdrovend is en de resultaten daarvan bijgevolg zeer concurrentiegevoelig.
28. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze weigeringsgrond in het bestreden besluit (gedeeltelijk) heeft gehandhaafd voor passages in de volgende documenten:
documenten 2, 8b, 11 en 13a bij deelbesluit A en documenten 1, 8, 14, 24a, 31 en 41 bij deelbesluit B.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob zich verzet tegen openbaarmaking van de op deze grond weggelakte passages in de documenten 8b en 13a bij deelbesluit A, en de documenten 1, 8, 14, 24a en 31 bij deelbesluit B.
29. Voor de door verweerder in document 2 (deelbesluit A) weggelakte passage is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze weigeringsgrond zich tegen openbaarmaking verzet. Dat het hier gaat om een absolute weigeringsgrond en dat tijdsverloop om die reden geen rol kan spelen, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. Tijdsverloop kan wel degelijk maken dat een beroep op deze weigeringsgrond niet meer op gaat. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom deze passage, gelet op het tijdsverloop, nog altijd concurrentiegevoelig is.
30. De rechtbank merkt verder op dat er geen reden is om Figuur 2.2a bij document 1 geheim te houden, omdat deze bij document 9 wel openbaar is gemaakt.
31. Voor de volledigheid merkt de rechtbank hierbij nog op dat zij ervan uitgaat dat verweerder de naam van de gemeente Vlist (Krimpenerwaard) openbaar maakt, ook waar deze in de documenten 8b en 11 (deelbesluit A) en 41 (deelbesluit B) – overigens ten onrechte – met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob is weggelakt. De rechtbank gaat er vanuit dat verweerder alle stukken op dit punt naloopt.
Toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob
32. Eiser voert aan dat verweerder selectief gebruik heeft gemaakt van de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Niet in te zien valt waarom verweerder namen niet heeft weggelakt, maar handtekeningen wel zoals toegepast in document 7b van deelbesluit A en 1, 5, 9, 10, 11 van deelbesluit B. Verder heeft verweerder ten onrechte namen weggelakt van personen die vanuit hun functie in de openbaarheid treden, zoals bijvoorbeeld bestuurders. Dit is gebeurd in de documenten 1, 13, 15, 16 en 18 van deelbesluit B.
33. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat hij een vaste gedragslijn hanteert waarbij persoonsgegevens niet openbaar worden gemaakt, behalve de namen van degenen die uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden en van degenen die op grond van mandaat bevoegd zijn namens een bestuursorgaan op te treden. Helaas is deze lijn niet in alle documenten correct toegepast. In de door eiser genoemde gevallen zijn de namen ten onrechte weggelakt, maar uit de context blijkt al meteen welke namen het betreft, zodat openbaarmaking van de ten onrechte weggelakte namen niets toevoegt.
34. De rechtbank stelt vast dat verweerder erkent dat in de door eiser genoemde documenten namen zijn weggelakt van personen die uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het dan niet aan om te stellen dat openbaarmaking daarvan niets meer toevoegt, omdat al op een andere manier duidelijk is geworden om wie het gaat. Verweerder moet deze namen alsnog openbaar maken. Verder dient verweerder alle documenten op dit punt na te lopen.
Conclusie
35. Gelet op de door de rechtbank geconstateerde gebreken in de motivering van het bestreden besluit (rechtsoverwegingen 4, 10, 11, 14, 17, 20, 25, 29, 30, 31 en 34) is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
36. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor reiskosten vast op € 8,- en voor verletkosten op € 14,-. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten van € 246,-. Nu eiser deze kosten niet heeft onderbouwd sluit de rechtbank aan bij het minimumtarief van € 7,- waartegen verletkosten kunnen worden berekend. Uitgaande van een twee uur durende zitting komt € 14,- aan verletkosten voor vergoeding in aanmerking. De door eiser verzochte kosten betreffende de aangetekende verzending van stukken komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze niet vallen onder de limitatieve opsomming genoemd in artikel 1 van het Bpb. Dit betekent dat in totaal een bedrag van € 22,- aan proceskosten voor vergoeding in aanmerking komt.
37. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.