Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2021 in de zaak tussen
handelend onder de naam [naam] ,te [vestigingsplaats] , eiser
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser exploiteert een lunchroom en betaalde in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 maart 2019 het minimumloon van 22 werknemers contant uit, wat in strijd is met artikel 7a, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid constateerde deze overtredingen tijdens een inspectie op 29 mei 2019 en adviseerde handhaving.
Verweerder legde eiser een bestuurlijke boete van €8.750 op en besloot tot openbaarmaking van inspectiegegevens. Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij de loonbetalingen contant deed op verzoek van werknemers zonder bankrekening, waardoor sprake zou zijn van verminderde verwijtbaarheid. Ook voerde hij aan dat de boete onevenredig hoog was en vroeg hij om uitstel van betaling.
De rechtbank oordeelde dat eiser als werkgever verantwoordelijk is voor naleving van de wet en dat zijn onwetendheid en de verzoeken van werknemers geen reden zijn voor verminderde verwijtbaarheid. De boete is vastgesteld volgens de beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wml 2018 en is proportioneel gelet op de duur van de overtreding, ongeacht de hoogte van de bedragen. De financiële situatie van eiser, mede door de coronacrisis, is onvoldoende onderbouwd om matiging te rechtvaardigen.
Verweerder heeft uitstel van betaling verleend tot het einde van de beroepsprocedure en een betalingsregeling van 48 termijnen toegezegd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete van €8.750 wegens niet-giraal uitbetalen van het minimumloon wordt ongegrond verklaard.