ECLI:NL:RBMNE:2021:3802

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 juli 2021
Publicatiedatum
10 augustus 2021
Zaaknummer
UTR - 21 _ 2720
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-betaling griffierecht

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen om het rijbewijs van verzoeker ongeldig te verklaren en het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

De voorzieningenrechter overweegt dat betaling van griffierecht verplicht is bij het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening. De griffier heeft verzoeker per aangetekende brief in de gelegenheid gesteld het griffierecht van €181 binnen twee weken te voldoen.

Verzoeker heeft het griffierecht niet binnen de gestelde termijn betaald en heeft geen verontschuldiging voor dit verzuim gegeven. Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2720

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 23 november 2020 (primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard.
In het besluit van 3 februari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld [1] . Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 181,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn moet worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is [2] .
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 6 juli 2021 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief.
4. Verzoeker heeft het griffierecht niet op tijd betaald.
5. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. De beslissing is uitgesproken op 28 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Geregistreerd onder zaaknummer UTR 21/1345.
2.Zie artikel 8:82, eerste tot en met het derde lid, van de Awb en artikel 8:41, tweede, vijfde en zesde lid van de Awb.