ECLI:NL:RBMNE:2021:3772
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij beëindiging Ziektewetuitkering
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering per 1 januari 2021 te beëindigen wegens verbetering van haar gezondheid. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de uitkering voorlopig te handhaven.
De voorzieningenrechter oordeelt dat bij een financieel geschil zoals dit niet snel sprake is van spoedeisend belang, omdat het bedrag na afloop van de bodemprocedure alsnog kan worden terugbetaald. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd dat zij in acute financiële nood verkeert of niet kan voorzien in haar primaire levensbehoeften.
Ook is niet gebleken dat het besluit van het UWV evident onrechtmatig is, zodat zonder diepgaand onderzoek niet ernstig aan de juistheid ervan mag worden getwijfeld. Daarom ontbreekt een spoedeisend belang en is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.