ECLI:NL:RBMNE:2021:375

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2021
Publicatiedatum
5 februari 2021
Zaaknummer
UTR 20/4483
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N.H.M. Veldman-Gielen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij omgevingsvergunning

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van zes townhouses en drie appartementen en verzochten om een voorlopige voorziening om de bouw te stoppen.

De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en concludeerde dat de bouw pas in het tweede kwartaal van 2021 zou starten en dat de bezwarenprocedure medio februari 2021 een hoorzitting kent met een beslissing binnen zes weken daarna. Hierdoor zou de bezwaarprocedure zijn afgerond voordat de bouw begint, zodat geen onomkeerbare situatie ontstaat.

Daarnaast oordeelde de voorzieningenrechter dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet gericht kan zijn op de inhoudelijke behandeling van de bezwaren, omdat dit geen spoedeisend belang oplevert. Ook bleek het primaire besluit niet evident onrechtmatig, zodat geen aanleiding was om de voorlopige voorziening toe te wijzen.

Het verzoek is daarom afgewezen, zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4483
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 januari 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] e.a., te [woonplaats] , verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist, verweerder

(gemachtigde: S. Hari).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: S.M. Smid.

Procesverloop

Met het besluit van 29 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van zes townhouses en drie appartementen op het perceel aan de [adres] in [plaats] .
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt en hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen [1] .
Beoordeling spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening indien ‘onverwijlde spoed’ dat vereist [2] .
3. Met de brief van 17 december 2020 heeft vergunninghouder de rechtbank geïnformeerd dat hij voornemens is om in het tweede kwartaal van 2021 een aanvang te maken met de bouw. Daarnaast heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat er medio februari 2021 een hoorzitting zal plaatsvinden in het kader van het bezwaarschrift van verzoekers. De beslissing op bezwaar wordt vervolgens binnen zes weken na de hoorzitting verwacht.
4. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank met de brief van 18 december 2020 aan verzoekers gevraagd om nader te onderbouwen wat hun spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening.
5. Verzoekers hebben met hun spoedeisend belang nader onderbouwd met de brief van 24 december 2020. Verzoekers hebben daarin toegelicht dat de verleende omgevingsvergunning volgens hen strijdig is met hun bezwaren en belangen. Het verzoek om voorlopige voorziening ziet daarom niet alleen op het onderbreken van de start van de bouwwerkzaamheden, maar ook op de behandeling van de door hen ingediende bezwaren.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat er een spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet op de toezegging van vergunninghouder en de planning van verweerder zal het bezwaarschrift van verzoekers door verweerder inhoudelijk behandeld zijn voordat vergunninghouder een aanvang maakt met de bouwwerkzaamheden. Dit betekent dat er op dit moment geen sprake is van een onomkeerbare situatie voor verzoekers. Bovendien volgt uit de brief van verzoekers van 24 december 2020 dat de inhoudelijke behandeling van hun bezwaren een belangrijke reden is voor het indienen van hun verzoek om voorlopige voorziening. Bij de inhoudelijke behandeling van een verzoek om voorlopige voorziening tijdens een bezwaarschriftprocedure richt de beoordeling van de voorzieningenrechter zich op de vraag of het primaire besluit zo evident onrechtmatig is dat dit besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gedurende de bezwaarprocedure bij verweerder niet in stand kan blijven. Verweerder blijft in dat geval bevoegd om de bezwaren inhoudelijk te behandelen en een beslissing te nemen op de ingediende bezwaren. De wens van verzoekers om een inhoudelijke beoordeling te krijgen van de door hun ingediende bezwaren leidt daarom niet tot een spoedeisend belang.
Evidente onrechtmatigheid
7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, kan de door hen gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als nu al blijkt dat het primaire besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaan onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in stand zal blijven.
8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het primaire besluit evident onrechtmatig is. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om, ondanks het ontbreken van spoedeisend belang, een voorlopige voorziening te treffen.
9. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.H.M. Veldman-Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 januari 2021 en wordt openbaar gemaakt via publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit is mogelijk op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.