Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: M. Tieman).
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betreffende de terugvordering van een ZW-uitkering over de periode van 26 juni 2017 tot en met 19 juni 2019. Verweerder heeft op 29 juni 2021 een nieuw besluit op bezwaar genomen waarin het bezwaar van verzoeker geheel gegrond werd verklaard en het beroep daarmee feitelijk overbodig werd. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft overwogen dat, nu verweerder het bezwaar geheel heeft gehonoreerd, het verzoek tot proceskostenvergoeding kennelijk gegrond is en heeft verweerder veroordeeld tot betaling van € 748,- aan proceskosten. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het griffierecht van € 48,- door verweerder moet worden vergoed.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en betreft uitsluitend de beroepsfase, aangezien in de bezwaarfase reeds een proceskostenvergoeding was toegekend. De rechtbank benadrukt dat verzoeker zich voor het griffierecht rechtstreeks tot verweerder moet wenden.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 748,- aan proceskosten aan verzoeker.