ECLI:NL:RBMNE:2021:3490

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 juli 2021
Publicatiedatum
26 juli 2021
Zaaknummer
UTR 20/4040
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens gewijzigde beslissing

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Nadat verweerder op bezwaar het besluit heeft gewijzigd en het bezwaar van verzoeker geheel heeft gehonoreerd door een Indicatie banenafspraak toe te kennen en opname in het doelgroepregister, heeft verzoeker het beroep ingetrokken en een proceskostenvergoeding gevraagd.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:75a Awb geoordeeld dat de proceskostenveroordeling terecht is omdat het bestuursorgaan geheel aan de beroepsgronden tegemoet is gekomen. De proceskosten worden vastgesteld op € 748,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het griffierecht van € 48,- door verweerder moet worden vergoed op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. Verzoeker wordt geadviseerd dit rechtstreeks bij verweerder te claimen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en de rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het bestuursorgaan tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker van € 748,- na intrekking van het beroep wegens een gewijzigde beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4040

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.A.M. Staal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. M.H.J. van Kuilenburg).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 30 september 2020 een besluit op bezwaar genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan.
Op 15 juni 2021 heeft verweerder een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarin het bezwaar van verzoeker alsnog gegrond is verklaard. Daarbij heeft verweerder beslist dat verzoeker een Indicatie banenafspraak krijgt en dat hij in het doelgroepregister wordt opgenomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde.
Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld de proceskostenveroordeling overeenkomstig
het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) tegemoet te zien.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Met het nieuwe besluit op bezwaar van 15 juni 2021 is verweerder geheel tegemoet gekomen aan de beroepsgronden van verzoeker. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen en de rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748,- en wegingsfactor 1).
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Azmi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.