ECLI:NL:RBMNE:2021:3480
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht, vastgesteld op €309.000,- voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder handhaafde deze waarde en ondersteunde dit met een taxatiematrix die de waarde baseerde op vergelijkingen met referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast had om aan te tonen dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix en de toelichting ter zitting maakten aannemelijk dat de gebruikte vergelijkingsmethode met referentiewoningen van hetzelfde type en met marktgegevens adequaat was. De door eiser voorgestelde alternatieve referentiewoning werd niet als vergelijkbaar beschouwd vanwege verschillen in gebruiksoppervlak en kavelgrootte.
Verder werd geoordeeld dat de waardebepaling voldoende rekening hield met verschillen in gebruiksoppervlak en perceeloppervlakte door het hanteren van de laagste eenheidsprijs en een grondstaffel. De koopsommen van referentiewoningen werden geïndexeerd naar de waardepeildatum met een door verweerder onderbouwd indexeringspercentage. De stelling van eiser dat het indexeringspercentage een black box zou zijn, werd verworpen.
Gelet op deze overwegingen concludeerde de rechtbank dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €309.000,- wordt ongegrond verklaard.