Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2021 in de zaak tussen
[verzoekster] te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. C. van den Berg).
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) inzake een WIA-uitkering. Na een tussenuitspraak van de rechtbank werd het besluit door het UWV gewijzigd en werd het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard, waarbij haar per 16 juli 2018 een WIA-uitkering werd toegekend.
Nadat het UWV aan het verzoekster had toegegeven, trok verzoekster het beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank stelde vast dat het UWV reeds een vergoeding voor de bezwaarfase had toegekend en veroordeelde het UWV nu tot vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase, vastgesteld op € 2.618,-. Tevens wees de rechtbank erop dat verzoekster het griffierecht van € 47,- rechtstreeks bij het UWV kan claimen.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling van € 2.618,- aan proceskosten aan verzoekster.