ECLI:NL:RBMNE:2021:3239
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boete wegens overtreding beroepskracht-kindratio bij kinderopvang
De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van een kinderopvangorganisatie tegen een bestuurlijke boete van €210.000 wegens 41 overtredingen van de beroepskracht-kindratio (BKR) vastgesteld tijdens een inspectie in 2018. De boete was opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, dat tevens lasten onder dwangsom had opgelegd.
Eiseres betwistte de bevoegdheid tot boeteoplegging, het bewijs van overtredingen en de hoogte van de boete. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was om boetes op te leggen, tenzij sprake was van opzettelijke of roekeloze overtredingen met direct gevaar, wat niet was gesteld. Wel was er twijfel over 19 van de overtredingen vanwege tegenbewijs over de feitelijke bezetting, waardoor deze boetes niet konden worden vastgesteld.
De rechtbank matigde de boete vanwege de samenhang van overtredingen, het feit dat het om een korte periode ging, en het ontbreken van recente overtredingen. De boete werd vastgesteld op €17.500. Het beroep tegen de last onder dwangsom werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt gematigd tot €17.500 vanwege onvoldoende bewijs en onevenredigheid, het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard.