ECLI:NL:RBMNE:2021:2908
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatievergunning wegens niet-gemelde leidinggevende
Verzoekster, een horecabedrijf, kreeg op 9 juli 2020 een exploitatievergunning met [A] als enige leidinggevende. De burgemeester van Utrecht trok deze vergunning op 23 april 2021 in omdat [B], die niet als leidinggevende was aangemeld, feitelijk ook leiding gaf en het bedrijf mede exploiteerde. Dit was een schijnconstructie, mede omdat [B] van slecht levensgedrag was en niet als leidinggevende kon worden toegelaten.
Verzoekster stelde dat [B] slechts een adviserende rol had en geen leidinggevende functie vervulde. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de burgemeester terecht aannam dat [B] een leidinggevende rol had, gebaseerd op verklaringen van een werknemer, inkoopgegevens en werkgeversformulieren. De bevoegdheid tot intrekking was aanwezig en het besluit was niet onevenredig gezien het belang van het naleven van vergunningregels en het voorkomen van schijnconstructies.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen had en dat er geen spoedeisend belang was voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de exploitatievergunning wordt afgewezen.