ECLI:NL:RBMNE:2021:2701
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid verwerking persoonsgegevens in onderzoek bijstandsfraude
Eiseres ontdekte dat haar persoonsgegevens tussen 2009 en 2017 meerdere malen waren geraadpleegd door gemeenten en een derde partij in het kader van een onderzoek naar mogelijke bijstandsfraude door haar vader. Zij diende een handhavingsverzoek in bij verweerder, die besloot geen nader onderzoek te doen. Eiseres stelde dat de raadplegingen onrechtmatig waren omdat er geen geldige grondslag bestond en dat de verwerking ook onder de AVG viel.
De rechtbank stelde vast dat het handhavingsverzoek zich beperkte tot de periode tot en met 2017, zodat de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) van toepassing was. Verweerder had op grond van artikel 53a van de Participatiewet de bevoegdheid om onderzoek te doen en persoonsgegevens te verwerken. De raadplegingen waren noodzakelijk voor het onderzoek naar bijstandsfraude, ook al ontving eiseres zelf geen uitkering.
De rechtbank verwierp het verweer dat er geen grondslag was voor raadplegingen vóór de anonieme tip en na overdracht aan de Regionale Sociale Recherche. Beide onderzoeken konden naast elkaar lopen. Ook vond de rechtbank geen disproportionele inbreuk op de privacy, mede omdat het aantal raadplegingen betrekking had op een langere periode dan het handhavingsverzoek en de context van de raadplegingen in het dossier van de ouders van eiseres terug te vinden was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit om geen nader onderzoek te doen is ongegrond verklaard.