Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiseres sub 2],
[eiseres sub 3],
[eiser sub 4],
Rechtbank Midden-Nederland
De familie van een patiënt met Covid-19 vorderde dat het ziekenhuis een behandeling met Ivermectine, Hydroxychloroquine en Vitamine C zou toestaan en dat een door hen aangedragen arts deze behandeling in het ziekenhuis mocht uitvoeren. De voorzieningenrechter oordeelde dat het ziekenhuis en de behandelend artsen zorgvuldig hebben gehandeld en dat het medisch oordeel marginaal toetsbaar is.
De familie kon het ziekenhuis niet dwingen tot het faciliteren van een behandeling waar het ziekenhuis niet achter staat. De rechter hechtte waarde aan de professionele standaard en richtlijnen in Nederland en Europa, evenals aan het standpunt van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd die het voorschrijven van deze middelen afraadt.
De familie werd veroordeeld in de proceskosten en kreeg de mogelijkheid om de behandelingsovereenkomst te beëindigen en overplaatsing naar een ander ziekenhuis te overwegen. De vordering werd afgewezen omdat het ziekenhuis niet in strijd handelde met goed hulpverlenerschap.
Uitkomst: De vordering van de familie tot het toestaan van een experimentele behandeling en het toelaten van andere artsen in het ziekenhuis is afgewezen.