ECLI:NL:RBMNE:2021:203

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 januari 2021
Publicatiedatum
26 januari 2021
Zaaknummer
16/057551-19(P)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ahf/ond C OpiumwetArt. 11 lid 2 OpiumwetArt. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van StrafrechtArt. 3 ahf/ond B OpiumwetArt. 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke hennepteelt en medeplichtigheid

De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig hebben van ongeveer 261 hennepplanten in een pand te Veenendaal in de periode van 19 januari tot en met 30 maart 2018.

Tijdens de terechtzittingen heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten van de officier van justitie en de verdediging. De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het medeplegen van telen, maar achtte het medeplegen van het aanwezig hebben van hennep wel bewezen. De verdediging bepleitte integrale vrijspraak.

De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte opzettelijk hennep heeft geteeld of aanwezig had. Ook het medeplegen werd verworpen wegens gebrek aan bewijs voor nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte. Daarnaast was er onvoldoende bewijs dat verdachte het pand ter beschikking had gesteld voor hennepteelt, waardoor ook medeplichtigheid niet bewezen was.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer op 26 januari 2021.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor opzettelijke hennepteelt en medeplichtigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/057551-19(P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2021
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1984] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,
hierna: verdachte.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 september 2019, 20 november 2019, 19 maart 2020, 23 juni 2020, 22 september 2020 en 12 januari 2021.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie mr. W.B. Gaasbeek en van hetgeen mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, namens verdachte, naar voren heeft gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting van 12 januari 2021 gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt erop neer dat verdachte:
Feit 1 primair :
in de periode van 19 januari 2018 tot en met 30 maart 2018 te Veenendaal in een pand aan de [adres] samen met anderen of alleen opzettelijk 261 hennepplanten heeft geteeld, bewerkt, verwerkt en/of bereid, of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;
Feit 1 subsidiair:
in de periode van 19 januari 2018 tot en met 30 maart 2018 medeplichtig is geweest aan het opzettelijk telen, bewerken, verwerken en/of bereiden of in elk geval het opzettelijk aanwezig hebben van 261 hennepplanten in een pand aan de [adres] te Veenendaal, door dat pand ter beschikking te stellen aan [medevedachte] voor de teelt van hennepplanten.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.VRIJSPRAAK

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder primair ten laste gelegde medeplegen van het telen van hennepplanten. Het onder primair ten laste gelegde medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of aanwezig heeft gehad. Daarvoor is onvoldoende bewijs in het dossier. De rechtbank overweegt dat ook het medeplegen niet bewezen kan worden omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medevedachte] . De rechtbank zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is geweest aan het telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig hebben van hennep, omdat niet is gebleken dat verdachte aan [medevedachte] het pand aan de [adres] te Veenendaal ter beschikking heeft gesteld voor de teelt van hennep. De rechtbank zal verdachte daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde feit vrijspreken.

5.BESLISSING

De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Riani el Achhab, voorzitter, mrs. E.W.A. Vonk en N.P.J. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Soeteman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 januari 2021.
Mr. Riani el Achhab en mr Janssens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2018 tot en met 30
maart 2018 te Veenendaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk
aanwezig heeft gehad (
in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in
totaal) ongeveer 261, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
(Artikel art 3 ahf Pro/ond C Opiumwet, art 11 lid 2 Opiumwet Pro, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 3 ahf Pro/ond B Opiumwet)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
[medevedachte] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2018 tot en met 30 maart 2018 te Veenendaal (telkens) opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (
in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 261, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks 19 januari 2018 tot en met 30 maart 2018 te Veenendaal, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die [medevedachte] voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
(Artikel art 3 ahf Pro/ond C Opiumwet, art 11 lid 2 Opiumwet Pro, art 48 ahf Pro/sub 1 Wetboek van
Strafrecht, art 48 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 3 ahf Pro/ond B Opiumwet)