Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
(gemachtigde: mr. D.Y. Li),
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker had een exploitatievergunning voor een horecabedrijf, welke door verweerder op 23 februari 2021 werd ingetrokken. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 22 april 2021 werd vastgesteld dat verzoeker sinds 1 maart 2021 geen huurder meer was van het pand en het horecabedrijf op 8 maart 2021 had verkocht. De nieuwe eigenaar had zich geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en een nieuwe exploitatievergunning aangevraagd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat hierdoor geen spoedeisend belang meer bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het argument van verzoeker dat hij mogelijk de verkoop zou kunnen terugdraaien werd als te onzeker en toekomstgericht beoordeeld.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.