Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaak tussen
[eiseres] ., te [vestigingsplaats] , eiseres
[derde belanghebbende], te [woonplaats] (gemachtigde: mr. J.M.J. Lubbers).
Rechtbank Midden-Nederland
De ex-werknemer was tot 1 juli 2019 in dienst bij eiseres en meldde zich ziek per 28 maart 2019. Verweerder stelde op basis van medische rapportages vast dat de ex-werknemer arbeidsongeschikt was en keerde vanaf 1 juli 2019 een Ziektewet-uitkering uit. Eiseres betwistte de ziekmelding en de medische beoordeling, alsmede het aantal gewerkte uren en de verblijfplaats van de ex-werknemer.
De rechtbank stelde vast dat de medische beoordeling door verzekeringsartsen zorgvuldig en consistent was, gebaseerd op dossiergegevens en medisch onderzoek, waaronder een MRI-scan. De rapportages bevatten geen tegenstrijdigheden en de prognose was dat verbetering binnen enkele maanden zou optreden. De rechtbank oordeelde dat het aan eiseres was om met een medisch rapport aan te tonen dat de beoordeling onjuist was, wat niet was gebeurd.
De betwisting van het aantal gewerkte uren en de verblijfplaats van de ex-werknemer vielen buiten de reikwijdte van dit bestuursrechtelijke geding. Ook de aansprakelijkheidsstelling van de ex-werknemer jegens eiseres voor medische kosten werd niet inhoudelijk behandeld. De rechtbank concludeerde dat de Ziektewet-uitkering terecht werd toegekend en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de toekenning van de Ziektewet-uitkering is ongegrond verklaard.