ECLI:NL:RBMNE:2021:1771
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende onderbouwing
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 16 april 2021 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die was veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne in strijd met de Opiumwet.
De officier van justitie had een bedrag van maximaal €30.087,50 gevorderd, gebaseerd op een rapport waarin het aantal unieke contacten via een telefoon werd vertaald naar transacties van €50 per stuk. Dit rapport gebruikte de methode van unieke en dealcontacten om het voordeel te schatten.
De rechtbank oordeelde echter dat deze methode onvoldoende onderbouwd was. De aard van de contacten was niet duidelijk en de historische verkeersgegevens boden geen betrouwbare basis voor de berekening. Bovendien was veroordeelde vrijgesproken voor een aanzienlijk deel van de periode waarop de berekening betrekking had.
Daarom vond de rechtbank dat het rapport geen realistische inschatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel kon geven en wees de vordering tot ontneming af.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer, waarbij één rechter niet kon ondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende onderbouwing.