Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Inleiding
€ 53.333,94 moet terugbetalen.
Overwegingen
1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht zonder hiervan melding te maken aan het Uwv en dat de hoogte van de terugvordering niet juist is.
1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 moeten maken. Het Uwv moet er bij het maken van deze berekening vanuit gaan dat eiser in de periode vanaf 1 januari 2014 op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en dat de inkomsten daarvan schattenderwijs vastgesteld moeten worden op € 1.000,- per maand, zijnde 50% van de € 2.000,- die maandelijks door [bedrijf 2] aan [bedrijf 1] werd gefactureerd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het Uwv op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.
mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid vanmr. I.C. de Zeeuw-‘t Lam, griffier.