Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van een gemachtigde tegen de niet-ontvankelijkverklaring van een eerder beroep op grond van onduidelijkheid over de vertegenwoordiging. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig een recente machtiging of verklaring van erfrecht was overgelegd.
In het verzet stelt de gemachtigde dat een deel van het griffierecht abusievelijk was voldaan en dat de rechtbank hem had moeten wijzen op de mogelijkheid tot herstel. Daarnaast voert hij aan dat de griffierechtnota onvolledig was geadresseerd, wat tijdige betaling belemmerde, en dat de nota ten onrechte niet op naam van zijn cliënt stond. Ook wordt een beroep gedaan op betalingsonmacht.
De rechtbank oordeelt dat ondanks de aangevoerde punten niet duidelijk is namens wie het beroep is ingesteld, en dat dit niet alsnog is onderbouwd. De vermeende fouten in de griffierechtnota en de verwijzingen naar andere uitspraken zijn niet relevant voor de ontvankelijkheid in deze zaak. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra op 7 januari 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.