Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
15 februari 2021. Op laatstgenoemde datum vond de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaats. Het onderzoek van de zaak is gesloten op de zitting van 24 maart 2021.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 1 april 2021 de strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van drie feiten: het handelen in cocaïne, deelname aan een criminele organisatie en witwassen van een geldbedrag van €188.010,-.
De verdediging verzocht om partieel nietigverklaring van de dagvaarding wegens onduidelijkheid over het specifieke verwijt bij het eerste feit. De rechtbank oordeelde dat de tenlastelegging onvoldoende concreet was, mede door het omvangrijke dossier en de beperkte informatie over de rol van verdachte, en verklaarde de dagvaarding voor dit feit partieel nietig.
Ten aanzien van het tweede en derde feit oordeelde de rechtbank dat de tenlastelegging geldig was, maar dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte deelnam aan een criminele organisatie of betrokken was bij het witwassen van het genoemde bedrag. Verdachte werd daarom vrijgesproken van deze feiten.
De rechtbank hief tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. Het vonnis is gewezen door drie rechters en uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en witwassen; dagvaarding voor het eerste feit is partieel nietig verklaard.