Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
[A]en
[B], te [plaats] (gemachtigde: mr. D. Tanke).
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend tegen het gebruik van een perceel en bijgebouw door derde-partij, stellende dat hier bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder legde een last onder dwangsom op vanwege een overschrijding van de vergunde afmeting van het bijgebouw en het gebruik van voorzieningen die niet binnen het bestemmingsplan passen. Na bezwaar en nieuwe besluiten op bezwaar verklaarde verweerder het bezwaar van eiser ongegrond en dat van derde-partij gegrond, waarbij de last onder dwangsom werd ingetrokken.
De rechtbank heeft vastgesteld dat tijdens inspecties geen bedrijfsmatig gebruik van het perceel is geconstateerd, noch dat het bijgebouw geschikt is voor langdurig verblijf. Het gebruik van het bijgebouw voor koffie drinken door personeel werd niet als bedrijfsmatig aangemerkt. Ook het parkeren van bedrijfsauto's in de straat en het gebruik van de tuin door personeel werden onvoldoende geacht om te spreken van strijdig gebruik.
De rechtbank oordeelt dat verweerder zich voldoende heeft gemotiveerd en zorgvuldig heeft gehandeld, en dat de bestreden besluiten niet in strijd zijn met het motiveringsbeginsel. Privaatrechtelijke aspecten zoals beperkingen in de akte van levering vallen buiten het bestuursrechtelijke kader. De beroepen worden ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De beroepen van eiser worden ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.