ECLI:NL:RBMNE:2021:1256

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
31 maart 2021
Zaaknummer
20/3475
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen terugvordering Wajong-uitkering wegens hennepkwekerij

Eiser ontvangt een Wajong-uitkering die is berekend op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Bij een politieonderzoek op 5 februari 2019 werd in zijn woning een hennepkwekerij aangetroffen. Verweerder heeft daarop besloten de uitkering over de periode van 25 juli 2018 tot en met 4 februari 2019 te herzien en het teveel betaalde bedrag van € 8.190,45 terug te vorderen.

Eiser betwist dat hij de kwekerij heeft geëxploiteerd en stelt slechts onder druk zijn woning ter beschikking te hebben gesteld. Verweerder baseert zich op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat het aantreffen van een kwekerij in de woning de vooronderstelling rechtvaardigt dat eiser (mede-)exploitant is, tenzij eiser met objectiveerbare gegevens het tegendeel kan aantonen. Eiser heeft dit niet kunnen onderbouwen.

Daarnaast betwist eiser de hoogte van het terug te vorderen bedrag en de periode van exploitatie. Verweerder steunt op het strafrechtelijk onderzoek waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel door de politie is vastgesteld op € 30.794,50. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op deze berekening mocht baseren en dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd om dit te weerleggen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de Wajong-uitkering wegens exploitatie van een hennepkwekerij wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3475

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: E.F. de Roy van Zuydewijn).

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder meegedeeld aan eiser dat hij over de periode van 25 juli 2018 tot en met 4 februari 2019 geen recht heeft op uitbetaling van zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%. Er wordt over deze periode een bedrag van bruto € 8.190,45 aan te veel betaalde uitkering van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 25 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontvangt een Wajong-uitkering berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%, wanneer er op 5 februari 2019 bij een onderzoek in zijn woning door de politie een hennepkwekerij wordt aangetroffen.
2. Het bestreden besluit gaat over de herziening en terugvordering van de Wajong-uitkering van eiser in verband met de exploitatie van deze hennepkwekerij.
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij in de periode van 25 juli 2018 tot en met 4 februari 2019 geen hennepplantage heeft geëxploiteerd. Eiser heeft alleen onder druk zijn woning ter beschikking gesteld.
4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het feit dat in of bij de woning van eiser een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling rechtvaardigt dat hij (mede-)eigenaar is geweest van de kwekerij en dat de opbrengst daarvan hem ook ten goede is gekomen. Het is aan eiser om met objectiveerbare en controleerbare gegevens te komen die aantonen dat hij de kwekerij niet (mede) heeft geëxploiteerd. Als eiser geen namen geeft van degene die de kwekerij wel heeft geëxploiteerd, blijft ter onderbouwing van zijn standpunt niet meer over dan zijn eigen niet objectiveerbare en ook niet controleerbare verklaringen. Dit is onvoldoende om de vooronderstelling dat hij de kwekerij zelf (mede) exploiteerde teniet te doen.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerders standpunt op een juiste uitleg van de rechtspraak van de CRvB berust en dat eiser niet heeft kunnen onderbouwen dat hij niet de (mede-)exploitant was van de hennepkwekerij die in zijn woning is aangetroffen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6 Eiser heeft vervolgens - beknopt samengevat - aangevoerd dat hij, zo al moet worden aangenomen dat hij de exploitant was van de kwekerij, geen of slechts zeer beperkte inkomsten hieruit heeft ontvangen. Het bedrag waar verweerder van uit gaat is veel te hoog en de periode waarin de kwekerij werd geëxploiteerd is ook te ruim bepaald. Verweerder had zelf een onderzoek moeten instellen naar de verdiensten van eiser.
7. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat mag worden uitgegaan van de gegevens verkregen uit het strafrechtelijk onderzoek, waartoe ook de berekening van het door eiser wederrechtelijk verkregen voordeel behoort. De politie heeft dit voordeel bepaald op een bedrag van € 30.794,50. Volgens verweerder zijn de bevindingen van de politie deugdelijk gemotiveerd. De verklaringen van eiser zijn daarentegen onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft ook geen deugdelijke administratie bijgehouden.
8. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen overtuigende gronden heeft aangevoerd om te concluderen dat verweerder zich bij de berekening van eisers inkomsten uit de kwekerij niet heeft mogen baseren op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de politie. Met name de door eiser bestreden vaststelling van het aantal oogsten overtuigt de rechtbank niet, gezien de eerste melding van kwekerijactiviteiten in eisers woning in juli 2018 en de onderbouwing van de exploitatieperiode door de politie op basis van onder meer kalkafzetting op verschillende locaties in de kweekruimte. Dat het op de weg van verweerder zou liggen om nog meer onderzoek te doen, ondanks de afwezigheid van een overtuigende onderbouwing van eisers standpunt, kan de rechtbank niet volgen. Bij overtreding van de mededelingsplicht geldt bovendien dat het voor risico van de overtreder blijft als achteraf niet exact kan worden bepaald wat de omvang van de inkomsten is geweest. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. in ’t Veld, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Rietema, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze De rechter is verhinderd deze uitspraak te uitspraak te ondertekenen. ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.