Uitspraak
[verzoeker 1] , te [woonplaats] , verzoeker 1 (UTR 21/285)
(gemachtigde: P. Veldhuisen)
Rechtbank Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak verzochten twee omwonenden voorlopige voorzieningen tegen een omgevingsvergunning verleend aan een vergunninghouder voor het kappen van bomen en het bouwen van een woonzorgcentrum met zorgappartementen en huisartsenpraktijken op een perceel in Zeist. De vergunning was verleend op 22 december 2020 en betrof het verbouwen van een monumentaal pand en nieuwbouw.
De voorzieningenrechter beoordeelde allereerst de rechtmatigheid van het besluit. Hierbij werd vastgesteld dat het bouwplan volgens het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de bouwverordening was getoetst en dat er geen aanwijzingen waren dat het bouwplan niet aan deze toetsingsgronden voldeed. Ook werd geoordeeld dat er geen ontheffing Wet natuurbescherming (Wnb) nodig was, omdat de natuurtoets en AERIUS-berekeningen geen significante negatieve effecten op beschermde soorten of Natura 2000-gebied lieten zien.
Ten aanzien van het kappen van bomen werd vastgesteld dat de vergunninghouder de kap van 42 bomen had gemotiveerd en dat de motieven voor het kappen, waaronder maaiveldverlaging, redelijk waren. De herplantplicht werd niet inhoudelijk beoordeeld omdat dit pas aan de orde komt bij de uitvoering.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat de belangen van de vergunninghouder bij uitvoering van het project zwaarder wegen dan het belang van verzoekers bij schorsing. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, zodat de vergunninghouder op eigen risico met de werkzaamheden kan starten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen, waardoor vergunninghouder mag starten met het bouw- en kapproject.