ECLI:NL:RBMNE:2021:1112

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 maart 2021
Publicatiedatum
22 maart 2021
Zaaknummer
UTR 20/3454
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning ongegrond verklaard

In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door de gemeente Hilversum vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2020, vastgesteld op €187.000 naar waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser stelde een lagere waarde van €156.000 voor, maar de gemeente handhaafde haar beschikking.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente de bewijslast heeft gedragen om aan te tonen dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. De gemeente baseerde de waardering op het eigen aankoopcijfer van de woning, een voorlopig koopcontract van april 2018 met een aankoopprijs van €175.000, en verdisconteerde een aandeel in de VVE-reserve. Daarnaast werden vijf vergelijkbare panden in dezelfde straat gebruikt om het aankoopcijfer te bevestigen.

De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat het eigen aankoopcijfer rond de waardepeildatum het beste marktgegeven is. Door indexering van het aankoopbedrag en onderbouwing met andere verkoopcijfers acht de rechtbank de vastgestelde waarde van €187.000 niet te hoog. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de waardering op het eigen aankoopcijfer is gebaseerd en er dus geen identieke gevallen zijn.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €187.000 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3454

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Bakker),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum, verweerder

(gemachtigde: B.A. Schras).

Procesverloop

In de beschikking van 29 februari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op
€ 187.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
In de uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2021 via Skype for Business. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door taxateur [taxateur] .

Overwegingen

1. De woning is een in 1953 gebouwde portiekflat. De woning heeft een inhoud van 190 m3 en heeft een gebruiksoppervlakte van 58 m2.
2. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald.
3. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 156.000,-. Verweerder handhaaft in beroep de door hem vastgestelde waarde.
4. Verweerder heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd meewegen.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder erin is geslaagd om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft bij de waardebepaling gebruik gemaakt van het eigen aankoopcijfer van de woning. Volgens een voorlopig koopcontract van 26 april 2018 is de woning aangekocht voor € 175.000. Daarin was volgens de uitspraak op bezwaar een aandeel in de VVE-reserve van € 3.367,10 verdisconteerd. Verder heeft verweerder aan de hand van verkopen van vijf vergelijkbare panden, alle in de [adres] gelegen, geconstateerd dat het eigen aankoopcijfer een reëel beeld geeft. De gegevens van die andere verkopen heeft verweerder verwerkt in een taxatiematrix. In het verweerschrift heeft verweerder tot slot toegelicht dat het eigen aankoopcijfer op grond van gegevens uit permanente marktanalyse naar de waardepeildatum is geïndexeerd met 1,5% per maand.
5.2
Volgens vaste rechtspraak kan het rond de waardepeildatum gerealiseerde eigen aankoopcijfer van een woning worden aangemerkt als het beste marktgegeven om de waarde op te baseren. Uitgaande van het eigen aankoopcijfer, verminderd met het aandeel in de VVE-reserve, en uitgaande van een stijgende markt tussen aankoop en waardepeildatum, is de rechtbank van oordeel dat de waarde van € 187.000,- niet te hoog is. Dit heeft verweerder ook nog nader onderbouwd met andere verkoopcijfers.
5.3
Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar de WOZ-waardes van andere woningen in de [adres] . Dit beroep kan echter niet slagen. Alleen al omdat de woning is gewaardeerd aan de hand van zijn eigen aankoopcijfer, is geen sprake van identieke gevallen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.