ECLI:NL:RBMNE:2021:104
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing VOG-aanvraag rijinstructeur na zedendelict niet evident disproportioneel
Eiser, een rijinstructeur met vijftien jaar ervaring en een eigen rijschool, vroeg een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan, die werd geweigerd vanwege een eerdere veroordeling voor bezit van kinderpornografie in 2017. De rechtbank bevestigt dat het objectieve criterium voor weigering is vervuld, omdat het zedendelict een belemmering vormt voor de functie, vooral gezien de afhankelijkheidsrelatie met minderjarige leerlingen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, waarbij het belang van de veiligheid van minderjarige leerlingen zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het verkrijgen van een VOG. Hoewel eiser betoogt dat het risico op recidive laag is en de weigering disproportioneel, acht de rechtbank de inschatting van verweerder redelijk, mede gelet op het tijdsverloop en de beleidsregels die een VOG tot twintig jaar na een zedendelict kunnen weigeren.
De rechtbank wijst het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. De belangenafweging en motivering van verweerder zijn voldoende en niet onredelijk, waardoor de afwijzing van de VOG gerechtvaardigd blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.