Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Inleiding
Overwegingen
i) Is terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid?
€ 14.119,25, een bedrag van € 10.994,06 zou worden teruggevorderd (vanwege een voor eiser fiscaal voordelige regeling) als eiser uiterlijk 31 december 2019 € 5.400,45 zou betalen aan verweerder. Mocht eiser dat vertrouwen ontlenen aan de brief van verweerder van 12 december 2019, een daarover gevoerd telefoongesprek met een medewerker van verweerder en een brief van verweerder van 17 december 2019?
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het eiser redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat hij een te hoog bedrag aan uitkering ontving. Met het besluit van 10 mei 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een toeslag afgewezen, omdat het inkomen van eiser en zijn partner hoger ligt dat het voor hen geldende sociaal minimum, waarbij ook het voor eiser geldende sociaal minimum is vermeld. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij het besluit van 10 mei 2018 wel heeft ontvangen. Uit dit besluit had het eiser redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij geen recht had op een toeslag. Dat eiser niet heeft gemerkt dat hij de toeslag ontving, maakt dit niet anders. Het had eiser uit de uitkeringsspecificaties duidelijk kunnen zijn dat hij de toeslag ontving, omdat de toeslag daarop was vermeld. Bovendien had hij aan zijn inkomsten kunnen merken dat hij maandelijks een hoger bedrag ontving aangezien de toeslag merendeels een maandelijks brutobedrag van ongeveer € 800,-- betrof. Dat eiser zijn uitkeringsspecificaties niet heeft geraadpleegd en daardoor niet op de hoogte was, dient voor zijn eigen rekening en risico te blijven. De beroepsgrond slaagt niet.
Bedrag dat u moet betalen’ een bedrag van € 10.994,06 vermeld. Op de volgende regel staat onder ‘
Uiterlijk betalen op’ dat het bedrag binnen zes weken na dagtekening van de brief betaald moet worden. Hieruit kon eiser afleiden dat hij voor het einde van het jaar 2019 het volledige bedrag van € 10.994,06 moest betalen. Alleen op die manier kon eiser voorkomen dat hij ook het bruto deel over 2019 zou moeten terugbetalen. Alhoewel uit de brief van 12 december 2019 niet de toezegging volgt zoals door eiser is aangevoerd, geeft de rechtbank verweerder wel in overweging dat de brief van 12 december 2019 niet makkelijk te lezen is.