De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 17 februari 2020 het verzoek van de officier van justitie tot voortzetting van een crisismaatregel onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die verblijft in een zorginstelling. De crisismaatregel omvatte verplichte zorg zoals opname, medicatie, bewegingsbeperking en toezicht.
Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde betrokkene niet te begrijpen waarom hij is opgenomen en gaf aan zich rustig te gedragen en medicatie liever niet te slikken. De advocaat betoogde dat voortzetting niet nodig was en dat sommige vormen van zorg overbodig waren. De behandelend psychiater stelde echter dat betrokkene zijn medicatie had gestaakt, slecht at en last had van onrust, waardoor voortzetting noodzakelijk was.
De rechtbank concludeerde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door een psychische stoornis, met name agressie en lichamelijk letsel, en dat de gevraagde vormen van verplichte zorg noodzakelijk, evenredig en effectief zijn. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor drie weken tot en met 9 maart 2020.