ECLI:NL:RBMNE:2020:893

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 maart 2020
Publicatiedatum
9 maart 2020
Zaaknummer
C/16/494239 FL RK 19-2359
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizenWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige machtiging tot opname op grond van BOPZ in het licht van nieuwe Wvggz

De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een voorlopige machtiging voor opname van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).

Tijdens de zitting op 4 februari 2020 werden betrokkene, haar advocaat, een psychiater en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige gehoord. De advocaat betoogde dat opname niet noodzakelijk was omdat betrokkene stabieler was door medicatieaanpassing, minder contact zocht met hulpdiensten en er geen sprake was van een dusdanig gevaar dat opname rechtvaardigde. De psychiater bevestigde de bipolaire stoornis van betrokkene en constateerde wisselende symptomen, maar gaf aan dat onder de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) verplichte zorg in de thuissituatie de voorkeur zou hebben.

De sociaal psychiatrisch verpleegkundige meldde een rustiger periode met wisselend beeld. De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende gronden waren voor opname en dat minder bezwarende alternatieven in de thuissituatie mogelijk zijn. Daarom werd het verzoek tot voorlopige machtiging afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige machtiging tot opname wordt afgewezen wegens onvoldoende noodzaak en aanwezigheid van minder bezwarende alternatieven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht
Locatie Lelystad

zaak/rekestnr.: C/16/494239 / FL RK 19-2359

datum uitspraak: 3 februari 2020

Voorlopige machtiging

op het verzoek van de officier van justitie van 23 december 2019 tot het verlenen van een voorlopige machtiging om

[betrokkene] ,

geboren op [1948] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis.
De rechtbank heeft kennis genomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder de op 18 december 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).
De rechtbank heeft op 4 februari 2020 gehoord:
- de betrokkene,
- mr. J.D. van der Heijden, advocaat van betrokkene,
- de heer Boot, psychiater,
- de heer [A] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige (hierna te noemen de spv-er).
Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht.
De advocaat van betrokkene heeft ter zitting primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Er zijn op dit moment onvoldoende aanwijzingen dat een opname van betrokkene nodig is. Het gaat de laatste tijd beter met betrokkene. De medicatie is veranderd. Betrokkene neemt de voorgeschreven medicatie waardoor zij stabiel is. Het voortdurend bellen met de hulpverlenende instanties is afgenomen en er is goed contact te maken met betrokkene. Er is geen sprake van dusdanig gevaar dat een opname noodzakelijk is. Een gedwongen opname is een uiterst redmiddel. Betrokkene heeft een passende dagbesteding nodig zodat zij meer uit huis komt. De informatie die de hulpverlening ontvangt is van de partner van betrokkene. Die wil dat betrokkene opgenomen gaat worden. Subsidiair heeft de advocaat verzocht om de duur van de machtiging te beperken tot drie maanden.
De psychiater heeft ter zitting naar voren gebracht dat betrokkene bekend is met een bipolaire stoornis. De laatste maanden lijkt het slechter te gaan betrokkene. Zij is toenemend geagiteerd, snel boos en is achterdochtig naar haar man. Daarnaast belt betrokkene voortdurend de hulpdiensten. Zij zorgt met dit gedrag voor overlast. De psychiater ziet ter zitting wel dat het beter gaat met betrokkene ten opzichte van de week ervoor. Als dit verzoek was gedaan na 1 januari 2020, na inwerkingtreding van de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), zou de psychiater niet voor een opnamemachtiging hebben gepleit maar voor verplichte zorg in de thuissituatie. De spv-er heeft ter zitting aangegeven dat het de afgelopen weken iets rustiger is geworden rondom betrokkene. Er heeft een wisseling in de medicatie plaatsgevonden. Wel blijft het wisselend beeld bij betrokkene zichtbaar en stelt zij veelvuldig vragen over de voorgeschreven medicatie. De partner van betrokkene maakt volgens de spv-er een integere indruk.
De rechtbank is op grond van de inhoud van de overgelegde stukken en het onderzoek ter zitting niet tot de overtuiging gekomen dat een opname van betrokkene noodzakelijk is. Er zijn nu immers op grond van de Wvggz minder bezwarende alternatieven mogelijk in de thuissituatie om het gevaar af te wenden en een opname te voorkomen. Het verzoek tot verlenen van een voorlopige machtiging in het kader van de wet Bopz zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging af.
Deze beslissing is gegeven door mr. T. Dopheide, rechter, in bijzijn van J.A.R. Bastiaans als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2020 en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op