ECLI:NL:RBMNE:2020:845
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na eindbeslissing in bestuursrechtelijke wrakingszaak
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de eerste wrakingskamer die een eerdere wrakingszaak behandelde. Dit verzoek was gericht tegen de voorzitter en leden van die kamer. De eerste wrakingskamer had het eerdere wrakingsverzoek al buiten zitting behandeld en niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek pas na een eindbeslissing van de betreffende rechter was ingediend.
Verzoekster stelde dat zij pas na ontvangst van de eindbeslissing op de hoogte was van de beweerde vooringenomenheid en daarom het wrakingsverzoek niet eerder kon indienen. De wrakingskamer oordeelde dat volgens artikel 8:15 Awb Pro wraking slechts mogelijk is zolang de rechter nog bemoeienis met de zaak heeft. Na een eindbeslissing is wraking niet meer mogelijk omdat het doel van het middel, het voorkomen van verdere bemoeienis, niet meer kan worden bereikt.
De wrakingskamer concludeerde dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk is omdat de zaak en de bemoeienis van de rechter feitelijk al waren beëindigd. Tevens bleek uit de eerdere beslissing geen aanwijzing voor vooringenomenheid of onrechtmatigheid. Het wrakingsinstrument is niet bedoeld om tegen inhoudelijke beslissingen op te komen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en is niet vatbaar voor rechtsmiddel.
Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in haar wrakingsverzoek omdat dit pas na een eindbeslissing werd ingediend.