Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder
de Vereniging Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ), te Den Haag, gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] .
Procesverloop
Overwegingen
Het verzoek om handhaving van eiseres
a. verweerder moet optreden tegen de wijze waarop VZVZ het mogelijk maakt dat mensen geregistreerd worden in het LSP, zonder dat zij daarvoor het vereiste uitdrukkelijke toestemming hebben verleend;
b. verweerder moet de zienswijze van zijn rechtsvoorganger het College bescherming persoonsgegevens (Cbp) uit 2014, dat VZVZ voldoende technische en organisatorische waarborgen heeft getroffen om te bewerkstelligen dat alleen persoonsgegevens worden verwerkt van patiënten die daarvoor toestemming hebben verleend, herzien;
c. verweerder moet bevestigen dat VZVZ bij schriftelijke verzoeken of iemand aangemeld is bij het LSP, niet mag vragen om een BSN in combinatie met een kopie van een geldig identiteitsbewijs.
Bespreking van het beroep van eiseres
Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de vier door eiseres aangedragen gevallen waarbij zorgverleners zonder de vereiste toestemming patiënten hebben aangemeld bij het LSP. Hij is tot de conclusie gekomen dat in drie van de vier aangedragen gevallen inderdaad sprake was van een aanmelding zonder toestemming van de patiënt. Daarmee is sprake van een overtreding. Toch ziet verweerder geen aanleiding om handhavend op te treden. Inmiddels zijn deze onterechte aanmeldingen namelijk op verzoek van die patiënten ongedaan gemaakt. Verder heeft VZVZ als beheerder van het systeem procedures ingericht en informatiemateriaal beschikbaar gesteld om ervoor te zorgen dat zorgverleners op correcte wijze toestemming krijgen van hun patiënten en overeenkomstig deze toestemming het BSN aanmelden bij het LSP. VZVZ houdt hierop volgens verweerder adequaat toezicht. In een rapport uit 2014 heeft het Cbp al vastgesteld dat VZVZ voldoende technische en organisatorische waarborgen heeft getroffen om te bewerkstellingen dat alleen persoonsgegevens worden verwerkt van personen die daarvoor toestemming hebben verleend. Verweerder vindt dit nog steeds en handhaaft deze conclusie dan ook. De omstandigheid dat in een aantal op zichzelf staande individuele gevallen de zorgverlener personen zonder rechtsgeldige toestemming heeft aangemeld bij het LSP, maakt niet dat het LSP als systeem er toe leidt dat op grote schaal onrechtmatig persoonsgegevens worden verwerkt, zoals eiseres aanneemt.
11.1 De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Zoals VZVZ heeft toegelicht is in het LSP met het oog op de dataminimalisatie alleen het BSN van een patiënt opgenomen en kan een notificatie naar de patiënt dus niet plaatsvinden, omdat hiervoor meer gegevens, zoals onder meer een e-mailadres, nodig zijn. Een controle achteraf of de toestemming wel is gegeven is daarom, zonder verdere informatie van de patiënt, niet mogelijk. Daarom heeft VZVZ een werkwijze opgesteld waarbij het contractuele afspraken heeft gemaakt met de zorgverleners, vooraf voorlichting geeft over het belang van de toestemming, en ook steekproefsgewijs controleert of de zorgverleners zich houden aan de afspraken die daarover zijn gemaakt. Zoals de rechtbank in overweging 9 heeft geoordeeld volstaat deze werkwijze. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat is voorzien in mogelijkheden voor de patiënt om te controleren of en door wie hij of zij is aangemeld in het LSP. Er is geen reden om aan te nemen dat de wijze waarop dit kan, onevenredig bezwarend of belastend is.
11.2 Verweerder heeft terecht uiteengezet dat voor het gebruik van het BSN door VZVZ een wettelijke grondslag bestaat, die te vinden is in artikel 8, tweede lid, van de Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg. Hij verwijst ook naar artikel 4, van deze wet en artikel 46, eerste lid, van de UAVG. VZVZ beschikt over een grondslag om aan de hand van het BSN te bezien of iemand in het LSP voorkomt. Bovendien, zo heeft VZVZ toegelicht, kan de controle niet op een andere manier plaatsvinden, omdat er geen andere gegevens in het LSP staan vermeld. Dat VZVZ daarbij ook vraagt om een kopie van het identiteitsbewijs, acht de rechtbank verder niet onredelijk en zij volgt verweerder in diens vaststelling dat ook op dit punt geen sprake is van een overtreding van de AVG. VZVZ vraagt nu juist om bewijs van de identiteit om te voorkomen dat mensen zomaar gegevens van derden kunnen opvragen.
11.3 Dat na een onterechte aanmelding in het LSP niet staat vermeld dat het om een onterechte aanmelding gaat, maar dat het een intrekking van toestemming betreft, vindt de rechtbank evenmin een reden om strijd met de AVG aan te nemen. Er bestaat geen wettelijke verplichting om ergens op te nemen dat er nooit toestemming is verleend. Artikel 17 van Pro de AVG bevat een plicht om gegevens te wissen. Dit is in de overwegingen van de AVG onder 65 verder toegelicht en daaruit volgt niet dat bij het wissen moeten worden gemeld dat de aanmelding vanaf het begin onrechtmatig is geweest.
11.4 Tot slot heeft verweerder toegelicht dat VZVZ de logginggegevens altijd kan opvragen, zodat ook na intrekking van de toestemming kan worden nagegaan welke terbeschikkingstelling en inzage van gegevens er met het BSN hebben plaatsgevonden. Op deze manier kan inzicht worden verschaft in de uitwisseling van medische persoonsgegevens zoals deze eerder heeft plaatsgevonden. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat op grond van de artikelen 3 en 5 van het Besluit elektronische gegevensverwerking door zorgaanbieders voor deze logginggegevens een wettelijke bewaartermijn geldt overeenkomstig verschillende in die artikelen genoemde NEN –normen. De mogelijkheid om gegevens te wissen strekt zich dan ook alleen uit tot het wissen van het BSN in het LSP en het ongedaan maken van de toestemming. Het per direct ook wissen van logginggegevens is wettelijk gezien niet mogelijk.
De argumenten van eiseres treffen geen doel.
De rechtbank overweegt, dat nog los van de vraag of eiseres de belangen van de zorgverleners vertegenwoordigt in deze handhavingsprocedure, eiseres er bij dit betoog ten onrechte vanuit gaat dat het LSP als systeem niet toelaatbaar is en er daardoor onrechtmatig gegevens worden verwerkt. Daarvan is, zoals eerder al is overwogen, geen sprake.
Dit betoog slaagt niet.
Conclusie
Beslissing
Rechtsmiddel
Recht op gegevenswissing („recht op vergetelheid”)
b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking;
[…]
d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;
[…]