De officier van justitie verzocht op 12 februari 2020 om voortzetting van een crisismaatregel ten aanzien van betrokkene, opgelegd op 10 februari 2020, op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De maatregel omvatte onder meer beperkingen in de vrijheid, opname in een accommodatie, toediening van medicatie en toezicht.
Op 13 februari 2020 vond de mondelinge behandeling plaats waarbij betrokkene, diens advocaat, een arts, psychiater, partner, zus en verpleegkundige werden gehoord. De arts gaf aan dat het beter ging met betrokkene en dat afspraken over vrijwillig verblijf mogelijk waren, waardoor een machtiging niet langer noodzakelijk was. Betrokkene gaf aan niet bang te zijn voor terugval en inziet dat zorg nodig is.
De rechtbank constateerde dat er sprake is van een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door een psychische stoornis, maar dat betrokkene zich niet verzet tegen de noodzakelijke zorg. Daarom werd het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel afgewezen. De beschikking werd mondeling gegeven op 13 februari 2020 en schriftelijk uitgewerkt op 21 februari 2020.