Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
( [postcode] ) [woonplaats] , [adres] ( [verblijfplaats] ) .
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2020;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 17 en 18;
- het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 20 en 21;
- het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , pagina 153.
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2020;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina 3 en 4.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
Voor beide feiten geldt dat een min of meer vergelijkbaar patroon naar voren komt, waarbij een aaneenschakeling van gebeurtenissen spanning oproept dan wel verhoogt, die herinneringen aan traumatische ervaringen triggert, waardoor verdachte zich onveilig voelt. Hij reageert hier primair op met een vechtreactie (agressie) met als doel om zichzelf te verdedigen. Zijn verstandelijke beperking leidt ertoe dat hij zaken niet goed overziet, niet kan reflecteren op zijn gevoelens en gedrag en geen overzicht heeft over oorzaak en gevolg, waardoor het hem niet lukt om tot andere keuzes te komen en zijn gedrag bij te sturen. Als gevolg van zijn algehele ontwikkelingsachterstand heeft verdachte een beperkt begrip van de wereld om zich heen en is er sprake van een zwakke zelfsturing en beïnvloedbaarheid.
Geadviseerd wordt om verdachte beide feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt, bij gelijkblijvende omstandigheden, als hoog ingeschat.
In het kader van vermindering van de kans op recidive en een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte wordt behandeling noodzakelijk geacht. Voor wat betreft het strafrechtelijk deel kan hierbij gedacht worden aan een agressie-regulatietraining. Deze training zou kunnen plaatsvinden als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf. Voor de overige zorgen die naar voren komen, heeft naar de mening van onderzoekster het civielrechtelijke kader voorrang. Binnen dat kader dient een passende verblijfplaats voor verdachte geregeld te worden. Hierbij wordt gedacht aan een kleinschalige woonvoorziening. Op een dergelijke plek kan er een basis opgebouwd worden waarin het vertrouwen van verdachte kan herstellen en groeien, doordat hij veilige relaties kan opbouwen en kan werken en leren zonder dat hij naar school gaat. Vanuit een dergelijke omgeving, waar hem duidelijkheid en structuur worden geboden, kan gewerkt worden aan zijn hechtingsproblematiek en de verwerking van zijn traumatische ervaringen.