ECLI:NL:RBMNE:2020:5838
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag bijstandsuitkering wegens ontbreken hoofdverblijf
Verzoeker huurt sinds januari 2020 een woning en heeft in maart 2020 een bijstandsuitkering aangevraagd, welke werd afgewezen omdat zijn hoofdverblijf niet kon worden vastgesteld. Na een tweede aanvraag in september 2020 en aanvullend onderzoek door verweerder, waaronder waarnemingen bij de woning en uitnodigingen voor gesprekken waarop verzoeker niet verscheen, werd de aanvraag opnieuw afgewezen.
Verzoeker stelde dat er nieuwe feiten waren, zoals aanwezigheid van meubels en dat hij meerdere dagen per week in de woning verbleef. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de waarnemingen en het onderzoek van verweerder zwaarder wogen dan de enkele verklaring van verzoeker en de foto's van meubels. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verzoeker zijn hoofdverblijf in de gemeente had.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er sprake was van een spoedeisend belang, maar dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen had. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.