ECLI:NL:RBMNE:2020:5690
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken zelfstandig recht
Verzoekster heeft een aanvraag om bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht is afgewezen. Zij stelde dat zij sinds het vertrek van de vader van haar kinderen alleen voor hen zorgt en geen inkomsten heeft, waardoor zij een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van de voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het ontbreken van geld op de bankrekening en het lenen van geld niet voldoende is om spoedeisendheid aan te tonen, zeker zonder bewijs van een onomkeerbare situatie zoals een dreigende uithuiszetting. Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig omdat verzoekster geen zelfstandig recht op bijstand heeft. Dit volgt uit eerdere besluiten en het feit dat zij geen geldige verblijfsvergunning heeft.
Verzoekster betwistte dit en verwees naar een verblijfsaantekening die volgens haar een verlenging van een verblijfsvergunning betreft, maar de voorzieningenrechter concludeert dat dit niet eenduidig blijkt en dat het waarschijnlijk een eerste aanvraag betreft. Daarom is het standpunt van verweerder dat verzoekster geen zelfstandig recht op bijstand heeft, gegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en omdat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is.