ECLI:NL:RBMNE:2020:5683

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2020
Publicatiedatum
4 januari 2021
Zaaknummer
C/16/485938 / FO RK 19-1230
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling voor minderjarigen na scheiding van ouders

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 18 februari 2020 een beschikking gegeven met betrekking tot de hoofdverblijfplaats en zorgregeling van twee minderjarige kinderen, geboren uit een geregistreerd partnerschap tussen de ouders. De vader heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen, terwijl de moeder dit verzoek heeft afgewezen en zelf een verzoek heeft ingediend om de hoofdverblijfplaats bij haar te laten. De rechtbank heeft kennisgenomen van diverse stukken, waaronder verzoekschriften en verweerschriften van beide ouders, en heeft op 21 januari 2020 een mondelinge behandeling gehouden waarbij beide ouders en hun advocaten aanwezig waren.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders samen het gezag over de kinderen hebben en dat er in het verleden al beslissingen zijn genomen over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling. In een eerdere beschikking was de hoofdverblijfplaats bij de moeder bepaald, maar in een kort geding was deze tijdelijk bij de vader vastgesteld. De rechtbank heeft besloten dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zal zijn, met een zorgregeling waarbij de kinderen om de week bij de moeder verblijven. De rechtbank heeft ook ouderschapsbemiddeling voorgesteld om de communicatie tussen de ouders te verbeteren, gezien de impact van de strijd tussen hen op de kinderen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk moet worden uitgevoerd. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak. De beslissing is genomen door kinderrechter mr. V.E.J.A. Heijckmann, in aanwezigheid van griffier mr. F. de Kleijn, en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/485938 / FO RK 19-1230 (wijziging hoofdverblijfplaats)
C/16/495150 / FO RK 20-26 (zorgregeling)
Beschikking van 18 februari 2020
in de zaak van:
[verzoekser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. R.F. Ronday,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. N.V.T. Cremers.

1.Verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift van de vader, binnengekomen op 8 augustus 2019;
- de brief van de vader van 24 oktober 2019 met bijlage;
- de brief van de moeder van 31 oktober 2019;
- het verweerschrift van de moeder met eigen verzoeken, binnengekomen op
10 januari 2020;
- de brief van de vader van 17 januari 2020 met bijlage.
1.2.
Op 21 januari 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hier is ook de zaak bekend onder zaaknummer C/16/448120 / FA RK 17-5671 behandeld. Aanwezig waren de ouders, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was mevrouw [A] aanwezig namens de Raad voor de Kinderbescherming.
1.3.
In de zaak bekend onder zaaknummer C/16/448120 / FA RK 17-5671 zal een aparte beschikking volgen.

2.Beoordeling van de zaak

Waar gaat het over?

2.1.
De ouders hebben een geregistreerd partnerschap gehad. Zij hebben samen twee kinderen:
-
[minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2015, en
-
[minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2017.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over de kinderen nemen.
2.3.
In de beschikking van 18 mei 2018 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder bepaald. Het verzoek van de moeder om met de kinderen naar [plaatsnaam] te verhuizen is afgewezen.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 23 augustus 2019 heeft de voorzieningenrechter de hoofdverblijfplaats van de kinderen voorlopig bij de vader bepaald. Daarnaast is een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld, inhoudende dat de kinderen om de week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de moeder verblijven.
2.5.
De vader vraagt de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen. De moeder vindt dat het verzoek van de vader moet worden afgewezen. Zij vraagt de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen en een zorgregeling met de vader vast te stellen alsmede een verdeling van de vakanties voor zowel de situatie dat de moeder een woning in [woonplaats 1] vindt als de situatie dat zij geen woning in [woonplaats 1] vindt. Ook vraagt zij een zorgregeling vast te stellen voor het geval dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader wordt bepaald.
Ouderschapsbemiddeling
2.6.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het volgen van ouderschapsbemiddeling. Zij zullen zich hiervoor binnen een week aanmelden bij het wijkteam van de gemeente [naam gemeente] . Tijdens het ouderschapsbemiddelingstraject kunnen de ouders werken aan hun onderlinge communicatie en daarnaast kan worden gesproken over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken. De rechtbank vindt het nodig dat de ouders in ouderschapsbemiddeling gaan, omdat het niet goed gaat met [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] . Zij hebben last van de strijd tussen hun ouders.
Geen raadsonderzoek
2.7.
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de Raad opdracht te geven om een onderzoek te doen naar de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling. De Raad heeft in 2018 al een onderzoek gedaan, waaruit is gekomen dat allebei de ouders geschikt zijn om de zorg en opvoeding van de kinderen voor hun rekening te nemen. De ouders moeten nu zelf hun verantwoordelijkheid nemen. De Raad heeft de ouders tijdens de mondelinge behandeling gewaarschuwd dat als het wijkteam melding doet bij de Raad omdat de ouderschapsbemiddeling spaak loopt, zij een onderzoek zullen starten naar de noodzaak van een beschermingsmaatregel.
Hoofdverblijfplaats en zorgregeling
2.8.
De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] bij de vader bepalen en daarnaast een zorgregeling vaststellen tussen de moeder en de kinderen. Deze houdt in dat [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] om de week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de moeder verblijven, waarbij de wisseling van [voornaam van minderjarige 1] via school plaatsvindt en de wisseling van [voornaam van minderjarige 2] via de opvang of de woning van de vader.
2.9.
Deze rechtbank neemt deze beslissing omdat de moeder zich, totdat de ouders in ouderschapsbemiddeling andere afspraken hebben gemaakt, kan neerleggen bij het voortzetten van de huidige situatie. De rechtbank begrijpt dat zij daarmee voortzetting van de regeling die is vastgesteld in het kort geding bedoelt. De rechtbank ziet geen aanleiding om alvast een beslissing te nemen voor het geval dat de moeder woonruimte vindt in [woonplaats 1] . Op dit moment is het namelijk onduidelijk of en wanneer dit gaat gebeuren en hoe de situatie op dat moment is.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
De rechtbank zal deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing direct moet worden uitgevoerd.

3.Beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt de hoofdverblijfplaats van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] bij de vader;
3.2.
stelt een zorgregeling vast, inhoudende dat [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] bij de moeder verblijven om de week van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend naar school, waarbij de wisseling van [voornaam van minderjarige 1] via school plaatsvindt en de wisseling van [voornaam van minderjarige 2] via de opvang of de woning van de vader;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevraagde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.E.J.A. Heijckmann (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. F. de Kleijn als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.