Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2020:5613

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
22 december 2020
Zaaknummer
513187 / HA RK 20-293
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 1.1.4.3 Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in insolventiezakenprocedure

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in een faillissementsprocedure, stellende dat hij ten onrechte geen oproep voor de faillissementszitting had ontvangen en niet alle stukken had gekregen.

De rechter stelde dat verzoeker reeds was opgeroepen door de aanvrager van het faillissement conform het landelijk procesreglement en dat beslissingen alleen genomen worden op basis van stukken waar partijen kennis van hebben en zich over kunnen uitlaten.

De wrakingskamer oordeelde dat de door verzoeker genoemde gronden niet gebaseerd zijn op handelen of nalaten van de rechter en dat er geen sprake is van vooringenomenheid of partijdigheid. Het wrakingsverzoek is daarom ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet zoals die was op het moment van schorsing.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 513187 / HA RK 20-293
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
15 december 2020
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker]
wonende in de gemeente [gemeente] op een geheim adres,
verder te noemen: verzoeker.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het wrakingsverzoek van verzoeker van 24 november 2020,
- het proces-verbaal van de zitting van 24 november 2020,
- de schriftelijke reactie van mr. P.J. Neijt van 25 november 2020,
- de e-mailberichten van verzoeker van 25 en 30 november 2020.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 1 december 2020 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
1.3.
Bij de mondelinge behandeling is niemand verschenen.
1.4.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. P.J. Neijt als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met zaaknummer 20/1069 F. Verzoeker heeft de rechter vlak voor de zitting gewraakt, omdat hij van de rechtbank ten onrechte geen oproep voor de faillissementszitting heeft gehad en hij van de rechtbank niet alle stukken heeft ontvangen.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij zich op het standpunt dat verzoeker geen oproep van de rechtbank heeft gehad, omdat verzoeker al was opgeroepen door de aanvrager van het faillissement. Dit is conform artikel 1.1.4.3. van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Voor wat betreft de stukken stelt de rechter zich op het standpunt dat uit het beginsel van hoor en wederhoor volgt dat de rechter slechts mag beslissen aan de hand van stukken waarvan partijen weet hebben en waarover zij zich hebben kunnen uitlaten. Dergelijke beslissingen worden door de rechter in de regel ter zitting genomen. Als gevolg van het wrakingsverzoek heeft de rechter over de bezwaren van verzoeker met betrekking tot de stukken geen beslissing kunnen nemen. Van enige vorm van partijdigheid is geen sprake. Voor zover verzoeker meent dat er impliciet beslissingen zouden zijn genomen, doordat door de rechtbank niet op zijn e-mails is gereageerd dan geldt dat deze beslissingen geen grond zijn voor toewijzing van een wrakingsverzoek.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij dienen feiten en omstandigheden te worden gesteld ten aanzien van de rechter tegen wie het wrakingsverzoek is gericht.
3.2.
Het wrakingsverzoek is ongegrond. Aan de door verzoeker genoemde gronden ligt namelijk geen handelen of nalaten van de rechter ten grondslag. De door verzoeker genoemde gronden kunnen dus niet tot de conclusie leiden dat sprake is van vooringenomenheid of partijdigheid van de rechter.
3.3.
Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokkenen, alsmede aan de voorzitter van het team waarin de gewraakte rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 20/1069 F dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, en mr. R.J. Praamstra en mr. G.A. Bos als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2020.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.