ECLI:NL:RBMNE:2020:5229
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement uit 1900, gelegen aan een adres te een plaats, voor het belastingjaar 2019. Verweerder had de waarde vastgesteld op €262.000,- met waardepeildatum 1 januari 2018 en gebruikte deze als heffingsmaatstaf voor onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing.
Eiser voerde aan dat de waarde te hoog was en verwees naar referentiewoningen die volgens hem beter geschikt waren voor vergelijking. Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatiematrix die de waardebepaling baseerde op vergelijkingen met referentiewoningen, rekening houdend met verschillen in gebruiksoppervlakte en kenmerken zoals tuin en kelder.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast droeg en dat hij met de taxatiematrix aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De door eiser aangevoerde referentiewoningen waren niet of niet tijdig verkocht, waardoor vergelijking met WOZ-waarden niet geschikt was. Ook werden verschillen in oppervlakte en voorzieningen voldoende meegenomen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.