ECLI:NL:RBMNE:2020:520

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2020
Publicatiedatum
17 februari 2020
Zaaknummer
8215534 UE VERZ 19-361 JH/1050
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30p Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen verzoekster in arbeidsrechtelijke procedure over beëindiging dienstverband

Verzoekster was op basis van diverse arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd werkzaam bij verweerster van 1 juli 2017 tot en met 1 januari 2020. Zij werd op 26 oktober 2019 door haar werkgever beschuldigd van fraude met urenregistratie en naar huis gestuurd. Verzoekster verzocht de kantonrechter om beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 2 januari 2020, maar dit verzoek werd afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst op die datum van rechtswege eindigde.

Daarnaast vorderde verzoekster betaling van een transitievergoeding, maar deze vordering werd afgewezen wegens gebrek aan belang, aangezien verweerster de verschuldigdheid al erkend had. Ook de vordering tot uitbetaling van vakantie- en overuren werd afgewezen, omdat verweerster reeds had toegezegd deze te zullen uitbetalen zodra de benodigde gegevens beschikbaar waren.

Verzoekster vroeg tevens om zuivering van haar eer en goede naam vanwege de fraude-beschuldiging, maar de kantonrechter oordeelde dat dit verzoek jegens verweerster niet toewijsbaar was, omdat verweerster haar niet zelf had beschuldigd. Het verzoek tot compensatie voor emotioneel leed en juridische kosten werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het feit dat verzoekster op alle punten in het ongelijk werd gesteld.

Uitkomst: Alle vorderingen van verzoekster worden afgewezen; zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 8215534 UE VERZ 19-361 JH/1050
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op 3 februari 2020
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [verzoekster] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: Administratie- en fiscaal adviesbureau Wolters,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [verweerster] ,
verwerende partij,
procederende bij mr. [A] .

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift, door de rechtbank ontvangen op 9 december 2019, en het verweerschrift.
1.2.
Op 3 februari 2020 heeft mr. S.H. Bokx-Boom, kantonrechter, bijgestaan door
mr. J. van den Hoven, griffier, de zaak mondeling behandeld. [verzoekster] was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [verweerster] waren mr. [A] en mr. [B] (juristen van [verweerster] ) aanwezig. Beide partijen hebben de standpunten toegelicht. Zij hebben geantwoord op de door de kantonrechter gestelde vragen en zij hebben op elkaar kunnen reageren. De gemachtigde van [verzoekster] heeft zittingsaantekeningen voorgedragen en overgelegd. Ook heeft zij kopieën van appberichten overgelegd. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan.

2.De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
wijst de vordering af;
2.2.
veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verweerster] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

3.De beoordeling

3.1.
De kantonrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
3.2.
[verzoekster] is op basis van diverse arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in de periode van 1 juli 2017 tot en met 1 januari 2020 in dienst geweest bij [verweerster] . [verzoekster] was voor [verweerster] werkzaam in de functie van [.] bij [bedrijfsnaam] . [bedrijfsnaam] heeft [verzoekster] op 26 oktober 2019 beschuldigd van fraude met de urenregistratie en haar naar huis gestuurd.
3.3.
[verzoekster] heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te beëindigen per 2 januari 2020. Dit verzoek wordt afgewezen, omdat de laatste arbeidsovereenkomst op 2 januari 2020 van rechtswege is geëindigd.
3.4.
[verzoekster] heeft verder verzocht om [verweerster] te veroordelen om bij het einde van de arbeidsovereenkomst over te gaan tot uitbetaling van de transitievergoeding van 5/6e maandsalaris. [verzoekster] heeft geen belang bij deze vordering, omdat [verweerster] de verschuldigdheid van de transitievergoeding al voorafgaand aan deze procedure heeft erkend. Er is ook geen reden om aan te nemen dat [verweerster] niet tot betaling van de transitievergoeding zal overgaan. De vordering wordt daarom afgewezen.
3.5.
Ook de vordering tot uitbetaling van vakantie-uren en overuren wordt bij een gebrek aan belang afgewezen. Voorafgaand aan deze procedure en ook tijdens de zitting heeft [verweerster] toegezegd dat zij tot uitbetaling van die uren zal overgaan. Voor de berekening van de hoogte van de vakantie-uren had [verweerster] nog wel de vakantieopgave van [verzoekster] nodig. [verzoekster] had haar vakantie-uren wel in het systeem van [bedrijfsnaam] gezet, maar [verweerster] heeft geen toegang tot dat systeem. In de zittingsaantekeningen heeft [verzoekster] opgave gedaan van de door haar opgenomen vakantie-uren. Met deze gegevens kan [verweerster] het verlofsaldo uitrekenen, waarna zij tot uitbetaling van de vakantie-uren en overuren zal overgaan.
3.6.
De kantonrechter begrijpt dat [verzoekster] ook verzoekt om [verweerster] te veroordelen om haar eer en goede naam te zuiveren. Voor een rectificatie van de beschuldiging van fraude moet [verzoekster] zich echter tot [bedrijfsnaam] wenden. Zij kan dat niet van [verweerster] vragen. [verweerster] heeft [verzoekster] niet van fraude beschuldigd. Het verzoek wordt daarom afgewezen. [verweerster] heeft zich ter zitting wel bereid verklaard om een positief getuigschrift aan [verzoekster] te verstrekken.
3.7.
[verzoekster] heeft daarnaast verzocht om [verweerster] te veroordelen om € 1.000 aan compensatie aan haar te betalen voor emotioneel leed door de valse beschuldiging van fraude. Dit verzoek is niet voldoende onderbouwd en wordt afgewezen. Niet gebleken is dat [verweerster] in strijd met een wettelijke of contractuele plicht heeft gehandeld.
3.8.
Ook het verzoek van [verzoekster] om compensatie voor de juridische kosten die zij heeft moeten maken, wordt afgewezen. [verzoekster] is op alle punten in het ongelijk gesteld, zodat zij wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op nihil, omdat zij geen gemachtigde heeft.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. S.H. Bokx-Boom
,kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van mr. J. van den Hoven, griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op ….