Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
- voor feit 1 primair en subsidiair geldt dat het door verdachte opgeworpen alternatieve scenario – dat verdachte op de voorruit van de auto heeft geschoten om een signaal af te geven aan [slachtoffer 1] , maar daarbij de personen achter de auto niet heeft gezien – niet in alle redelijkheid kan worden uitgesloten. Het onderscheidend bewijsmateriaal bevestigt zelfs de verklaring van verdachte op kernpunten, terwijl het overige bewijsmateriaal de verklaring van aangever [slachtoffer 1] niet ondersteunt of op sommige punten zelfs onaannemelijk maakt. Verdachte heeft geen opzet (ook niet in voorwaardelijk zin) gehad op het (pogen te) doden van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] . Verdachte moet daarom worden vrijgesproken;
- ten aanzien van het eerste en derde gedachtestreepje onder feit 3 ten laste gelegd, heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat bij [slachtoffer 4] de redelijke vrees bestond dat verdachte haar zou doden of zwaar zou mishandelen. Daarnaast is het WhatsAppbericht met de tekst van het tweede gedachtestreepje niet terug te vinden in het procesdossier. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van feit 3;
- ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte de ten laste gelegde uitlatingen heeft bekend, maar deze in zijn boosheid heeft verstuurd en dat dat onvoldoende is om vast te stellen dat bij [slachtoffer 5] de redelijke vrees bestond dat verdachte haar zou doden, zwaar zou mishandelen of dat hij brand zou stichten. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken;
- voor feit 5 primair en subsidiair onder B geldt dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad de telefoon weg te nemen. Hij heeft de telefoon alleen kort onder zich gehad om de foto van zijn kentekenplaat te wissen. Vervolgens heeft hij de telefoon aan [slachtoffer 6] teruggegeven. Verdachte moet daarom van de diefstal (met geweld) ten laste gelegd onder feit 5 primair en subsidiair onder B worden vrijgesproken;
- ten aanzien van feit 6 heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte niet wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij iemand had aangereden en dat daarbij schade was ontstaan. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.
de rechtbank begrijpt: 1 maart 2020), stond ik buiten voor mijn woning aan de [adres] te [woonplaats] , met twee vrienden: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] (
de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]). [2] Wij hoorden een auto de straat in rijden. [slachtoffer 2] zei tegen mij en [slachtoffer 3] : "Dat is [verdachte] " (
de rechtbank begrijpt: verdachte). De auto stopte vlak voor mijn woning en ik zag dat het raam van de bijrijderskant open stond. Ik herkende [verdachte] meteen. Ik zag dat [verdachte] met zijn rechterhand een zwart vuurwapen op ons richtte. Ik riep meteen: "Bukken!". Ik hoorde een schot en samen met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn wij in mijn woning gerend en zijn we op de grond gaan liggen. [3]
de rechtbank begrijpt: op 1 maart 2020) stonden wij voor de woning te roken. Wij hoorden een auto de straat in komen. Ik zag dat [verdachte] achter het stuur zat van het voertuig. Ik herkende hem direct aan zijn gezicht. Ik zag dat hij een
- In de nacht van 29 februari 2020 op 1 maart 2020 is verdachte in zijn auto naar de woning van [slachtoffer 1] aan de [adres] te [woonplaats] gereden;
- verdachte had een vuurwapen en munitie bij zich;
- in het parkeervak voor de woning aan de [adres] in [woonplaats] stond op dat moment een personenauto geparkeerd;
- op het moment dat verdachte in zijn auto voorbij bovengenoemde woning en de geparkeerde personenauto rijdt, bevinden [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zich voor die woning;
- er is oogcontact geweest tussen [slachtoffer 2] en verdachte;
- verdachte heeft vanuit zijn auto, door het raam aan de passagierskant, met een vuurwapen richting [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] geschoten.
geziendat verdachte het vuurwapen op hen richtte, maar heeft hij verklaard dat hij dit alleen van [slachtoffer 1] heeft
gehoord. Tijdens zijn verhoor ter terechtzitting van 28 oktober 2020 heeft [slachtoffer 2] dit eveneens verklaard. De rechtbank acht de eerste twee afgelegde verklaringen van
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2020;
- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] ;
hoorde[verdachte] zeggen dat als ik de negen honderd euro niet binnen zeven dagen zou betalen ik dan een probleem zou hebben. Ik
hoorde[verdachte] zeggen dat ik mijn sloten maar moest controleren omdat hij binnenkort zou langskomen.” Verdachte is echter ten laste gelegd dat hij deze bewoordingen via een WhatsAppbericht naar aangeefster heeft gestuurd. De rechtbank stelt vast dat dit WhatsAppbericht niet in het procesdossier is opgenomen. Het procesdossier bevat verder geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte deze ten laste gelegde uitlatingen via een WhatsAppbericht jegens [slachtoffer 4] heeft gedaan.
(de rechtbank begrijpt: verdachte)afgesproken te Hilversum. Ik zei tegen hem dat hij een lachgasjunk was. Ik zag aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij boos werd. Ik hoorde hem zeggen "ik kan je hier doodslaan voor al die mensen". Op 10 februari 2020 kreeg ik appjes met de volgende teksten "als een lijn naar jou leidt blaas ik je hele huis op. zorg maar dat het niet naar jou leidt anders". Ik voelde me bedreigd. Ik weet dat hij in het bezit is van een vuurwapen. Ik weet niet waartoe hij in staat is. [12]
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
- een Pro Justitia rapport van 21 mei 2020, opgemaakt door drs. J. Yntema, gezondheidszorgpsycholoog;
- een reclasseringsadvies van 11 augustus 2020, opgemaakt door L. Kok, reclasseringswerker.
9.BENADEELDE PARTIJ
10.VORDERING TENUITVOERLEGGING
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 285, 287, 312 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en
- 7 en 176 van de Wegenverkeerswet,
12.BESLISSING
gevangenisstrafvan
4 jaren;
6 maanden,
nietzal worden
ten uitvoer gelegd,
tenzijde rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- wijst de vordering van [slachtoffer 6] geheel toe tot een bedrag van € 650,44;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 6] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2020 tot de dag van de algehele voldoening;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 6] aan de Staat € 650,44 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 13 dagen gijzeling;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.