Op 16 november 2016 vond een gewapende overval plaats op een postsorteercentrum waarbij horloges ter waarde van circa 2,1 miljoen euro, identiteitsbewijzen en sieraden werden buitgemaakt. De broer van de verdachte werkte bij het centrum en werd veroordeeld voor medeplichtigheid. De verdachte werd beschuldigd van medeplegen als 'spin in het web', onder meer door het regelen van ontmoetingsplaatsen, het tippen over waardevolle goederen, afstemming met zijn broer en het in brand steken van de vluchtauto.
Tijdens de terechtzitting op 29 januari 2020 betoogde de verdediging dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was voor betrokkenheid van de verdachte. De rechtbank oordeelde dat het enkel vastgestelde telefonische contact tussen verdachte en zijn broer onvoldoende is om medeplichtigheid of medeplegen te bewijzen. Ook ontbrak bewijs voor het regelen van ontmoetingsplaatsen, het tippen van mededaders en het in brand steken van de vluchtauto.
De rechtbank sprak de verdachte daarom vrij van alle tenlasteleggingen. De vordering van de benadeelde partij voor schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken. De benadeelde partij kan haar vordering bij de civiele rechter aanbrengen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.