Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2020 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
€ 1.889.000,- zou zijn en dus nog niet te hoog zou zijn vastgesteld.
Beslissing
de rechter is verhinderd
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers betwistten de WOZ-waarde van hun vrijstaande woning, vastgesteld op €1.809.000 voor het belastingjaar 2019, en stelden een lagere waarde van €1.390.000 voor. Verweerder handhaafde de waarde en ondersteunde dit met een taxatiematrix die de waardebepaling op basis van vergelijkingsmethode met referentiewoningen onderbouwde.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast had om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix toonde aan dat rekening was gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceeloppervlakte en andere kenmerken tussen de woning en referentiewoningen. Eisers konden onvoldoende onderbouwen dat de staat van onderhoud of KOUDV-kenmerken verkeerd waren beoordeeld.
Verder wees de rechtbank het argument af dat de procentuele stijging van de WOZ-waarde ten opzichte van voorgaande jaren een te hoge waardering zou betekenen, omdat de Wet WOZ vereist dat de waarde jaarlijks opnieuw wordt bepaald op basis van actuele marktgegevens.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter Y.N.M. Rijlaarsdam op 12 oktober 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.809.000 wordt ongegrond verklaard.