De zaak betreft een geschil tussen vennoten van een vennootschap onder firma (VOF) over de beëindiging van de VOF en financiële afwikkeling. Eiser sub 1 en de VOF vorderen dat de VOF per 1 september 2017 is opgezegd, dat verweerder sindsdien niet meer betrokken is bij de onderneming, en dat verweerder medewerking verleent aan de beëindiging en uitschrijving als vennoot bij de Kamer van Koophandel. Tevens vorderen zij ontbinding van de VOF en toedeling van de onderneming aan eiser sub 1.
Verweerder betwist de opzegging en stelt dat eerst een eindafrekening moet plaatsvinden. Hij vordert een vergoeding voor zijn arbeid en een deel van de winst. De rechtbank oordeelt dat eiser sub 1 bevoegd was om namens de VOF te procederen en dat de opzegging van de VOF is af te leiden uit het ontzeggen van toegang tot de supermarkt en het toezenden van een uitschrijfformulier. De VOF is daardoor beëindigd en vereffening dient plaats te vinden.
De rechtbank wijst de vorderingen van eiser sub 1 toe voor zover het gaat om de verklaring voor recht dat de VOF is opgezegd, medewerking aan beëindiging en uitschrijving bij de Kamer van Koophandel, met dwangsommen bij niet-naleving. De overige vorderingen, waaronder ontbinding en winstverdeling, worden afgewezen. De tegenvordering van verweerder tot betaling van bedragen wordt eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten worden deels gecompenseerd.