Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
niet natuurlijk overlijden ten gevolge van een lege artis uitgevoerde Late Zwangerschaps Afbreking, uitgevoerd i.v.m. ernstige hersenschade bij het kind, hoogstwaarschijnlijk ontstaan als gevolg van een verkeersongeval van moeder bij een zwangerschapsduur van 27 weken’. Gelet op de medische verklaring en het feit dat onderzoek en verklaringen in het dossier geen blijk geven van een mogelijk andere oorzaak voor het overlijden, is de rechtbank van oordeel dat het verband tussen het overlijden van het ongeboren kind en het rijgedrag van verdachte dat heeft geleid tot het verkeersongeval, van zodanige aard is dat het overlijden redelijkerwijs als gevolg van het verkeersongeval aan verdachte kan worden toegerekend. Daarmee is voldaan aan het vereiste van de dubbele causaliteit.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
Onze zoon, die we nooit zullen zien opgroeien, nooit zullen zien lachen en nooit zullen leren kennen. Die avond is ons de glans van ons leven ontnomen. Nooit meer zal het leven onbezorgd en vrij zijn.’ De op te leggen straf zal het door dit verlies veroorzaakte leed vanzelfsprekend niet kunnen verzachten. De rechtbank heeft oog voor verdachtes proceshouding. Hij heeft ter terechtzitting ondubbelzinnig zijn schuld erkend, heeft aangegeven zich te realiseren wat hij heeft aangericht en wil daarvoor zijn verantwoording nemen. Tot matiging van de op te leggen straf leidt die houding niet.
9.BESLAG
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
gevangenisstrafvan
9 (negen) maanden;
3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast;
voorwaardegeldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ontzegtverdachte ter zake van het als feit 1 primair bewezen verklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) jaar;
hechtenisvan
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast;
voorwaardegeldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;