Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Inleiding
het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar daarom ongegrond verklaard.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser, voormalig chauffeur, ontving een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 35,33%, toegekend tot 19 juni 2019. Na een herbeoordeling in december 2017 werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 29,68%, wat leidde tot beëindiging van de uitkering per genoemde datum.
Eiser meldde zich in maart 2019 toegenomen arbeidsongeschikt, maar de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van verweerder concludeerden dat zijn beperkingen stabiel waren gebleven sinds de herbeoordeling. Eiser voerde aan dat zijn klachten, waaronder arm-, rug- en psychische problemen, waren verergerd en dat relevante medische informatie niet was meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en begrijpelijk waren opgesteld en dat de vermeende toename van klachten niet medisch onderbouwd was. De brief van de fysiotherapeut uit december 2019 betrof een periode na de peildatum en de KNO-behandeling was onvoldoende concreet gemaakt. De arbeidsdeskundige bevestigde dat eiser de functies die bij de herbeoordeling waren geselecteerd nog kon verrichten.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde de beëindiging van de WIA-uitkering per 19 juni 2019.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering per 19 juni 2019.