ECLI:NL:RBMNE:2020:4144

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 september 2020
Publicatiedatum
30 september 2020
Zaaknummer
20/1517
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a.7 Wsf 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vaststelling maandbedrag aflossing studieschuld op basis van draagkracht

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin het maandbedrag voor 2020 voor de aflossing van zijn studieschuld werd vastgesteld op €408,72. Eiser verzocht om verlaging van dit bedrag naar €150,- en wilde dat zijn partner niet werd meegenomen in de draagkrachtberekening vanwege zijn hoge vaste lasten en schulden.

De Minister handhaafde het maandbedrag en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het maandbedrag op juiste wijze was vastgesteld conform de dwingende bepalingen van de Wet studiefinanciering 2000. De berekening is gebaseerd op de hoogte van de lening, de aflossingsperiode en de rente, zonder rekening te houden met het individuele uitgavenpatroon of het besteedbaar inkomen van eiser.

De rechtbank verwierp het verweer van eiser dat hij niet was gewaarschuwd bij het lenen en dat hij het maandbedrag niet kon voldoen. Het risico van onvoldoende bewustzijn bij het aangaan van de lening ligt bij eiser zelf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het vastgestelde maandbedrag van €408,72 voor aflossing van de studieschuld wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1517
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Hummel).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van het maandbedrag voor 2020 voor het aflossen van de studieschuld voor eiser vastgesteld op
€ 408,72. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser verzoekt om het maandbedrag voor 2020 te verlagen naar € 150,- en zijn partner niet mee te nemen in de berekening van zijn draagkracht. Eiser stelt het maandbedrag van € 408,72 niet te kunnen voldoen, omdat hij hoge vaste lasten en schulden heeft. Verder neemt eiser het verweerder kwalijk dat hij toentertijd niet is gewaarschuwd bij het lenen.
3. Verweerder heeft het maandbedrag voor 2020 op basis van de draagkracht van eiser, en niet ook dat van zijn partner, berekend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij bij die berekening geen rekening kan houden met het besteedbaar inkomen of het individuele uitgavenpatroon van eiser. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verweerder naar de vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter. [1] Verweerder stelt verder dat eiser het vastgestelde maandbedrag van € 408,72 moet betalen, omdat dit hoger is dan zijn draagkracht van € 456,06.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het maandbedrag van € 408,72 voor eiser op de juiste wijze heeft vastgesteld. De Wet studiefinanciering 2000 schrijft dwingend voor hoe het maandbedrag voor aflossing van de studieschuld wordt vastgesteld. Verweerder heeft dat maandbedrag berekend op basis van de hoogte van de lening, de periode dat er moet worden afgelost en de nog te berekenen rente. Dat eiser hoge vaste lasten en schulden heeft, waardoor het maandbedrag niet kan worden voldaan, is geen omstandigheid waarmee verweerder rekening hoeft te houden bij de berekening van het maandbedrag. Omdat een berekening op basis van eisers draagkracht leidt tot een hoger maandbedrag, heeft verweerder terecht dat maandbedrag buiten beschouwing gelaten. [2] Dat eiser zich op het moment dat hij geld leende niet goed bewust was van de gevolgen daarvan, komt voor zijn risico. Omdat eiser de lening in zijn studietijd is aangegaan, had hij ook toen kunnen weten dat hij die lening ook moest terugbetalen.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2020 door
mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRVB) van 27 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5150.
2.Dit volgt uit artikel 10a.7, vierde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).