ECLI:NL:RBMNE:2020:4042
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde woning na verbouwing en vaststelling toestandsdatum
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2019, vastgesteld op €1.000.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2018. De rechtbank stelde vast dat op grond van artikel 18, derde lid, Wet WOZ de waarde moest worden bepaald naar de toestandsdatum 1 januari 2019, vanwege de verbouwingen die in 2018 zijn uitgevoerd.
Het geschil betrof de waardevermeerdering door de verbouwing. Verweerder stelde dat 60% van de verbouwingskosten bij de waarde moest worden opgeteld, terwijl eiser slechts 17,5% van de kosten als waardevermeerdering zag. De taxateur van verweerder lichtte toe dat doorgaans 80-85% van verbouwingskosten waardevermeerdering oplevert, en dat in dit geval 60% werd gehanteerd, afgerond naar beneden tot €1.000.000.
De rechtbank volgde de deskundige taxateur en oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Het standpunt van eiser dat de investeringen vooral smaakgerelateerd waren en slechts een geringe waardevermeerdering opleverden, werd niet onderbouwd en niet gevolgd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.000.000 wordt ongegrond verklaard.