De zaak betreft twee Poolse kinderen die in Nederland onder toezicht zijn gesteld en uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over hun welzijn, waaronder vermoedens van mishandeling. De ouders betwisten de bevoegdheid van de Nederlandse kinderrechter omdat zij geen binding met Nederland zouden hebben en weer in Polen wonen. De kinderrechter beoordeelt de internationale bevoegdheid aan de hand van Brussel II-bis en concludeert dat er voldoende binding is met Nederland, mede door inschrijving in de Basisregistratie Personen en medische behandelingen hier.
De feiten tonen aan dat de kinderen al eerder onder toezicht zijn gesteld en uit huis geplaatst vanwege ernstige brandwonden en ander letsel dat niet door ouders kon worden verklaard. De situatie is zorgelijk gebleven, met een lopend strafonderzoek en communicatieproblemen tussen ouders en hulpverlening. De kinderrechter acht het belang van de kinderen gediend met voortzetting van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor zes maanden, korter dan door de Raad en GI gevraagd om vervreemding te voorkomen en tijdige duidelijkheid over de opvoedplaats.
De beschikking is mondeling uitgesproken en schriftelijk vastgesteld op 9 januari 2020. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door verzoekers en belanghebbenden. De kinderrechter wijst het meer of anders gevraagde af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.